De B-categorie: een competitie die zichzelf ondermijnt
20-9, 27-9, 25-10, 01-11, 29-11. Achttien cijfers die samen pijnlijk duidelijk maken wat er mis is met de B-categorie in het amateurvoetbal. Het zijn de data waarop een team in een competitie met twaalf teams daadwerkelijk in actie kwam. Vijf wedstrijden. Dat is alles. Twee keer in september, één keer in oktober, twee keer in november en geen enkele keer in december. Op dertien mogelijke speeldagen voor de winterstop werd er vijf keer gevoetbald. Wie dit op zich laat inwerken, kan maar één conclusie trekken: dit is geen competitie, dit is een organisatorisch wanproduct.

Vijf wedstrijden spelen voor de winterstop betekent automatisch dat er na de winter nog zeventien duels op het programma staan. Zeventien. Voor voetballers die in de eerste seizoenshelft vaker níét dan wél hebben gespeeld. Acht weekenden zonder voetbal, vijf keer wel. Dat ritme is niet alleen funest voor de conditie, maar vooral voor het plezier. En dat plezier is juist de kern van het amateurvoetbal. De meeste oud-voetballers van mijn generatie zouden hier gillend gek van worden. Je trainde, je leefde naar het weekend toe en speelde je. Maar nu staan ze langs de lijn omdat er wéér een wedstrijd is uitgesteld. Geen tegenstander, zelf een te klein aantal spelers, of simpelweg ‘omstandigheden’. Het resultaat is altijd hetzelfde: een lege zaterdag of zondag en een competitie die steeds schever komt te hangen. Natuurlijk hoeft het amateurvoetbal niet zo fanatiek te zijn als vroeger. Niemand verwacht dat spelers doen wat ik ooit deed in het UMCG, met hulp van collega’s in de weekendploeg, op zondagochtend ‘gewoon’ aantreden op de Esserberg met Zeester 3 tegen een lager team van Be Quick. Dat deed je niet voor de roem of de stand, maar omdat het team krap zat. Door ziekte, geen lullig griepje, maar serieuze problemen, en door blessures. En omdat je teamleider Klaas wilde helpen. Daar hoef je tegenwoordig niemand meer toe te dwingen. Maar wat wél mag worden verwacht, is dat een competitie enigszins serieus wordt genomen. En precies daar wringt het veel te vaak in de B-categorie. Want waar sommige teams hun zaken redelijk op orde hebben en keurig hun wedstrijden spelen, blijven andere ploegen structureel achter. En die achterstand werkt als een gif door de hele competitie.
Deze week sprak ik een teamleider die het feilloos verwoordde. “Misschien moet er maar eens een daad gesteld worden,” zei hij. “Want een team met vijf duels achterstand zorgt straks voor doordeweekse wedstrijden. En dan mag jij met je team, dat maar één duel achterstand heeft, op komen draven.”
Dat is precies de kern van het probleem. De gevolgen van wanorganisatie worden niet gedragen door de veroorzakers, maar afgewenteld op de teams die wél hun verantwoordelijkheid nemen. Teams die hun selectie rond krijgen, die plannen, die spelers vrijmaken. Zij mogen straks ’s avonds na het werk de auto in en improviseren, omdat ergens anders maandenlang niets is geregeld.
Ironisch genoeg zijn het juist die teams met een grote achterstand die bij die doordeweekse wedstrijden vaak compleet zijn. Dan staat alles ineens wél klaar. En wie zitten er dan te schrapen? De teams die het seizoen netjes hebben afgewerkt, maar nu spelers missen door werk, gezin of blessures. Het competitieve evenwicht is dan volledig zoek.
De B-categorie is zo verworden tot een rommelig geheel waarin vrijblijvendheid regeert. Geen ritme, geen consequenties, geen bescherming van teams die het wél goed doen. En zolang dat zo blijft, holt het amateurvoetbal zichzelf uit. Want spelers haken af, motivatie verdwijnt en de kloof tussen ‘willen’ en ‘moeten’ wordt steeds groter Misschien is het inderdaad tijd voor een daad. Hardere deadlines. Minder uitstel. En vooral: laat de gevolgen liggen waar ze horen. Want een competitie waarin vijf wedstrijden in drie maanden normaal wordt gevonden, is geen competitie meer. Het is een zootje. En dat mag best eens hardop gezegd worden.

Vijf wedstrijden spelen voor de winterstop betekent automatisch dat er na de winter nog zeventien duels op het programma staan. Zeventien. Voor voetballers die in de eerste seizoenshelft vaker níét dan wél hebben gespeeld. Acht weekenden zonder voetbal, vijf keer wel. Dat ritme is niet alleen funest voor de conditie, maar vooral voor het plezier. En dat plezier is juist de kern van het amateurvoetbal. De meeste oud-voetballers van mijn generatie zouden hier gillend gek van worden. Je trainde, je leefde naar het weekend toe en speelde je. Maar nu staan ze langs de lijn omdat er wéér een wedstrijd is uitgesteld. Geen tegenstander, zelf een te klein aantal spelers, of simpelweg ‘omstandigheden’. Het resultaat is altijd hetzelfde: een lege zaterdag of zondag en een competitie die steeds schever komt te hangen. Natuurlijk hoeft het amateurvoetbal niet zo fanatiek te zijn als vroeger. Niemand verwacht dat spelers doen wat ik ooit deed in het UMCG, met hulp van collega’s in de weekendploeg, op zondagochtend ‘gewoon’ aantreden op de Esserberg met Zeester 3 tegen een lager team van Be Quick. Dat deed je niet voor de roem of de stand, maar omdat het team krap zat. Door ziekte, geen lullig griepje, maar serieuze problemen, en door blessures. En omdat je teamleider Klaas wilde helpen. Daar hoef je tegenwoordig niemand meer toe te dwingen. Maar wat wél mag worden verwacht, is dat een competitie enigszins serieus wordt genomen. En precies daar wringt het veel te vaak in de B-categorie. Want waar sommige teams hun zaken redelijk op orde hebben en keurig hun wedstrijden spelen, blijven andere ploegen structureel achter. En die achterstand werkt als een gif door de hele competitie.
Deze week sprak ik een teamleider die het feilloos verwoordde. “Misschien moet er maar eens een daad gesteld worden,” zei hij. “Want een team met vijf duels achterstand zorgt straks voor doordeweekse wedstrijden. En dan mag jij met je team, dat maar één duel achterstand heeft, op komen draven.”
Dat is precies de kern van het probleem. De gevolgen van wanorganisatie worden niet gedragen door de veroorzakers, maar afgewenteld op de teams die wél hun verantwoordelijkheid nemen. Teams die hun selectie rond krijgen, die plannen, die spelers vrijmaken. Zij mogen straks ’s avonds na het werk de auto in en improviseren, omdat ergens anders maandenlang niets is geregeld.
Ironisch genoeg zijn het juist die teams met een grote achterstand die bij die doordeweekse wedstrijden vaak compleet zijn. Dan staat alles ineens wél klaar. En wie zitten er dan te schrapen? De teams die het seizoen netjes hebben afgewerkt, maar nu spelers missen door werk, gezin of blessures. Het competitieve evenwicht is dan volledig zoek.
De B-categorie is zo verworden tot een rommelig geheel waarin vrijblijvendheid regeert. Geen ritme, geen consequenties, geen bescherming van teams die het wél goed doen. En zolang dat zo blijft, holt het amateurvoetbal zichzelf uit. Want spelers haken af, motivatie verdwijnt en de kloof tussen ‘willen’ en ‘moeten’ wordt steeds groter Misschien is het inderdaad tijd voor een daad. Hardere deadlines. Minder uitstel. En vooral: laat de gevolgen liggen waar ze horen. Want een competitie waarin vijf wedstrijden in drie maanden normaal wordt gevonden, is geen competitie meer. Het is een zootje. En dat mag best eens hardop gezegd worden.