Nieuwe rubriek: Een stelling, een mening, dit keer over de basis van het amateurvoetbal

Geschreven door Johan Staal op . Geplaatst in Binnen de lijnen

Op Puurvoetbalonline start ik een nieuwe rubriek. Een rubriek waarin een bekende van mij uit de voetbalwereld een duidelijke stelling krijgt voorgelegd over het amateurvoetbal. Geen theoretisch verhaal, geen beleidsnota’s, maar meningen uit de praktijk. Iemand die ik persoonlijk goed ken, en die zijn medewerking aan deze nieuwe rubriek heeft toegezegd is Jan ten Caat. Jan, een zwager van mijn veel te vroeg overleden voetbalvriend Jan van Dijken heeft ruim veertig jaar in vrijwel alle geledingen van het amateurvoetbal heeft rondgelopen. Van speler tot trainer, van begeleider tot beleidsmaker. En minstens zo belangrijk: Jan is iemand die over alles wat zich binnen het amateurvoetbal afspeelt een uitgesproken mening heeft, en wat mij enorm aanspreekt, die ook durft te geven.

logo


De eerste stelling die ik Jan  voorlegde luidde:

“In de onderbouw moet je je beste jeugdtrainers voor de groep hebben staan.”
Zijn reactie liet weinig ruimte voor twijfel.
„Daar ben ik het helemaal mee eens,” zegt hij resoluut, „maar wel met één belangrijk voorbehoud. Het trainen in de onderbouw begint voor mij pas echt bij achtjarigen. Voor zes- en zevenjarigen heb je geen trainer nodig, maar een spelleider.”
Volgens Jan  moeten die jongste kinderen vooral spelenderwijs kennismaken met de bal. „Die kinderen moet je geen opdrachten geven. Je moet ze laten spelen, plezier laten maken en een beetje ‘vriendje’ laten worden met het voetballen. Dat vraagt om een andere rol dan die van een trainer: iemand die begeleidt, enthousiasmeert en structuur aanbrengt zonder te forceren.”

Vanaf de leeftijd van acht jaar verandert dat, stelt hij. „Dan begint het echte opleiden. En juist dán moet je je beste trainers inzetten. In de onderbouw wordt het fundament gelegd voor de bovenbouw. Zonder dat fundament stort het hele bouwwerk vroeg of laat in.”
Wat de Bedumer  daarbij frustreert, is dat veel clubs het tegenovergestelde doen. „De betere trainers worden vaak bij de oudere jeugd of zelfs pas bij de senioren ingezet. Terwijl onderbouwtraining eigenlijk veel moeilijker is dan bovenbouwtraining. Je werkt met jonge kinderen, met grote verschillen in ontwikkeling, motoriek en aandacht. Dat vraagt om vakmanschap.”

Waardering en beloning

Dat vakmanschap wordt volgens hem structureel onderschat, en dat zie je terug in de beloning. Als ik hem vraag hoe hij kijkt naar het salaris van jeugdtrainers noem ik ook een persoonlijk voorbeeld uit mijn periode als jeugdtrainer „Bij mijn laatste club, in het seizoen 2005-2006, kreeg ik 2000 euro per seizoen, inclusief reiskosten. Dat was toen al  weinig,” is het antwoord. „Clubs geven simpelweg te weinig uit aan goede jeugdtrainers, terwijl hoofdtrainers vaak overbetaald worden.”
Hij vertelt een anekdote die veel zegt over hoe clubs soms naar jeugdbeleid kijken. „Een club wilde mij hebben als hoofd jeugdopleiding. Ze vroegen wat ik wilde verdienen. Ik zei: ik maak het dubbele aantal uren van jullie hoofdtrainer, dus ik wil de helft van wat hij krijgt. Alle drie de gesprekspartners kregen ter plekke bijna een rolberoerte. Ik werd het uiteindelijk dus niet.”
Volgens hem zit daar precies het probleem. „Iedereen roept dat de jeugd de toekomst heeft, maar zodra het over geld gaat, houdt het op.

Opleiden van trainers

Een mogelijke oplossing zou kunnen zijn om geïnteresseerde trainers zonder diploma een cursus aan te bieden, onder de voorwaarde dat ze daarna minimaal twee jaar bij de club actief blijven. Zou dat werken? „Dat kan zeker een optie zijn, Maar dan moet je wel eerlijk zijn. In die twee contractjaren moet je een marktconform salaris bieden. Kwaliteit mag en móét betaald worden. Anders leid je mensen op voor de buurman.” Volgens hem is continuïteit daarbij cruciaal. „Te veel clubs werken met tijdelijke lapmiddelen. Elk jaar andere trainers, andere ideeën. Dat is funest voor ontwikkeling.”

Samenwerking als noodzaak

Voor kleinere clubs ziet hij vooral kansen in samenwerking. „Waarom zouden twee of drie kleinere clubs niet samen een hoofd jeugdopleiding aanstellen? Iemand die overkoepelend werkt, lijnen uitzet en trainers begeleidt binnen meerdere verenigingen.” Ook op praktisch vlak ziet hij voordelen. „Denk aan gezamenlijk inkopen van materialen, het delen van kennis, gezamenlijke trainersavonden. Het amateurvoetbal blijft vaak hangen in ‘zo doen we het hier al jaren’, terwijl de wereld om ons heen verandert.”
Jan  beseft heel goed  dat wat hij schetst afwijkt van hoe het nu bij veel clubs gaat. „Maar als we blijven doen wat we altijd deden, krijgen we wat we altijd kregen. Misschien gaan in 2026 de ogen wel iets verder open.”

Met deze rubriek willen we precies dat bereiken: ogen openen, discussie aanwakkeren en het amateurvoetbal een spiegel voorhouden. Want zonder sterke onderbouw, is er simpelweg geen toekomst voor een goede bovenbouw.