Een telefoontje van Morris: Opa we hebben geen training!!
Het was vanmorgen vroeg toen mijn telefoon al ging. Aan de andere kant van de lijn hoorde ik de stem van Morris, mijn kleinzoon uit Velserbroek. Hij had een vraag aan opa. En zoals dat bij kinderen wel vaker gaat, was het niet zomaar een vraag, maar eentje waar ik toch even over moest nadenken.


Morris had deze week geen voetbaltraining en dat begreep hij eigenlijk niet. Zijn verbazing was duidelijk te horen. ‘Iedereen traint, opa, zelfs de guppen, maar wij niet. Dat is toch raar?’ Ik moest mijn kleinzoon gelijk geven. Want eerlijk is eerlijk, ik vind het ook vreemd dat er in een herfstvakantie niet wordt getraind. Zeker bij een grote voetbalvereniging als VSV Velserbroek, waar toch voldoende jeugdspelers rondlopen en waar je mag verwachten dat er mogelijkheden zijn om iets te organiseren. Natuurlijk begrijp ik best dat een herfstvakantie anders is dan een normale trainingsweek. Er zijn kinderen die op vakantie gaan, trainers die andere verplichtingen hebben en ouders die er misschien even tussenuit zijn. Dat hoort er allemaal bij. Je kunt er niet zomaar van uitgaan dat iedereen aanwezig is. Maar dat betekent toch niet automatisch dat er helemaal niet getraind kan worden? En daar kwam de volgende vraag van Morris. ‘Maar hoe deed jij dat vroeger dan, opa toen jij jeugdtrainer was?’
Een mooie vraag, want daarmee bracht hij mij meteen terug naar de tijd dat ik zelf actief was met het trainen en begeleiden van voetbalteams. Ook toen hadden we te maken met vakanties, afwezige spelers en trainers die niet altijd beschikbaar waren. Dat is van alle tijden. Het verschil zit hem misschien niet zozeer in de omstandigheden, maar vooral in de manier waarop je ermee omgaat. Mijn antwoord aan Morris was dan ook vrij eenvoudig. Wij keken vroeger eerst wie er wel aanwezig waren en wie er wilden of konden trainen. Vervolgens bekeken we welke mogelijkheden er waren. Waren er bij het ene team te weinig spelers, maar bij een ander team juist voldoende? Dan was het toch niet zo moeilijk om de handen ineen te slaan en teams samen te voegen. Op die manier kon je ervoor zorgen dat kinderen die graag wilden voetballen ook daadwerkelijk op het veld konden staan. Misschien trainde je dan niet met je eigen vaste team, misschien was de oefenstof iets anders dan normaal, maar je was wel lekker bezig met voetbal. En daar gaat het uiteindelijk om. Morris had het antwoord blijkbaar snel verwerkt, want zijn reactie liet niet lang op zich wachten. ‘Dat hadden we dus bij ons ook kunnen doen, opa. Teams samenvoegen.’ Opnieuw moest ik hem gelijk geven. Soms kunnen kinderen de dingen verrassend eenvoudig bekijken. Waar volwassenen misschien allerlei redenen zien waarom iets niet kan, kijkt een kind vooral naar de mogelijkheden. Er zijn spelers, er is een veld en er zijn kinderen die graag willen trainen. Waarom zou je dan niet proberen om er samen iets van te maken? ‘Raar dat dit niet is gebeurd,’ was zijn nuchtere conclusie. En alsof hij zijn verhaal nog wat extra kracht wilde geven, voegde hij eraan toe dat het ook nog eens prachtig weer was. Om die opmerking moest ik wel lachen. Alsof het weer de doorslaggevende factor was! Want ik weet bijna zeker dat Morris ook bij regen gewoon had willen trainen. Als je jong bent en je houdt van voetbal, dan is een beetje regen geen reden om thuis te blijven. Sterker nog, een training in de regen kan soms nog leuker zijn dan een training onder een stralend herfstzonnetje. Toch bleef ik na ons telefoongesprek met een gedachte zitten. Want eigenlijk dekt dit gesprek de hele lading. Het gaat niet alleen om Morris, niet alleen om VSV Velserbroek en ook niet uitsluitend om die ene week waarin er geen training is. Het gaat om de vraag hoe je als vereniging omgaat met situaties waarin de normale gang van zaken even niet mogelijk is maar je wel verantwoordelijk bent voor het voetbalplezier van de kinderen. Juist op momenten dat het anders loopt dan gebruikelijk, kun je laten zien hoe goed die samenwerking werkelijk is. Natuurlijk moet je rekening houden met de beschikbaarheid van trainers, de openstelling van velden en de afspraken die binnen een vereniging gelden. Niet alles is altijd te regelen. Maar het lijkt mij dat je op zijn minst kunt inventariseren wat er mogelijk is. Hoeveel spelers zijn er beschikbaar? Welke trainers kunnen helpen? Zijn er teams die qua leeftijd en niveau goed kunnen samenwerken? En kunnen we met die informatie een paar gezamenlijke trainingen organiseren? Dat hoeft allemaal niet ingewikkeld te zijn. Je hoeft niet meteen een compleet trainingsprogramma op te tuigen. Een paar telefoontjes, een overzicht van de aanwezige spelers en wat overleg tussen trainers kunnen al voldoende zijn om iets moois neer te zetten. Bovendien geef je kinderen daarmee een belangrijk signaal af. Namelijk dat hun enthousiasme ertoe doet en dat de vereniging moeite wil doen om hen te laten voetballen. Want uiteindelijk beginnen kinderen niet met voetbal omdat ze zo graag een trainingsschema volgen. Ze beginnen omdat ze het spelletje leuk vinden, omdat ze samen met vriendjes willen spelen en omdat ze iedere week iets beter willen worden. En als die motivatie er is, moet je daar als vereniging toch zoveel mogelijk gebruik van maken? Mijn kleinzoon Morris had daar vanmorgen in ieder geval een heel helder idee over. En misschien is het helemaal niet verkeerd om af en toe eens naar de voetbalwereld te kijken door de ogen van een kind. Want als Morris het op zijn leeftijd al begrijpt, dan moet dat bij ons volwassenen toch ook lukken?