Een sponsor bepaalt de opstelling niet

Geschreven door Johan Staal op . Geplaatst in Even na praten

Het zou zomaar een kop boven een van de verhalen van Henk Doppenberg hebben kunnen zijn. Henk schreef een aantal jaren geleden prachtige verhalen die uit het amateurvoetbal waren gegrepen. Verhalen die vaak begonnen met een ogenschijnlijk klein voorval, maar waarin hij vervolgens haarfijn blootlegde wat er binnen een vereniging allemaal kan spelen. Met zijn toestemming mocht ik die verhalen in die periode op Puurvoetbalonline plaatsen. Verhalen met humor, maar vaak ook met een serieuze ondertoon .

logo

Daar moest ik aan denken toen ik het verhaal las over een kledingsponsor die dreigde de door hem beschikbaar gestelde kleding weer in te nemen wanneer zijn zoon niet werd opgenomen in een selectieteam. Je verzint het niet, het is bijna werkelijkheid.

En ik weet bijna zeker dat Henk Doppenberg daar een prachtig verhaal van had kunnen maken. Een verhaal waarin hij op zijn bekende manier de situatie zou hebben beschreven, met een glimlach om de mond maar ondertussen messcherp duidelijk makend waar het probleem zit. Want wat heeft een trainingspak, een voetbalshirt of een complete kledinglijn nu eigenlijk te maken met de vraag welke speler in een selectieteam thuishoort? Helemaal niets.

Een trainer of technische staf hoort een selectie te maken op basis van voetbaltechnische kwaliteiten, inzet, ontwikkeling, gedrag en wat er op dat moment nodig is voor een team. Niet op basis van de vraag wie de kleding heeft betaald. Toch ontstaat er een probleem wanneer een sponsor vindt dat er voor wat hoort wat.

Dat klinkt op het eerste gezicht misschien logisch. Een sponsor stelt geld of materialen beschikbaar en wil daar natuurlijk iets voor terug. Zichtbaarheid, naamsbekendheid, een vermelding op de website of misschien een reclamebord langs het veld. Dat is sponsoring. Maar zodra een sponsor invloed wil hebben op de samenstelling van een team, wordt het een ander verhaal. Dan gaat het niet meer over sponsoring. Dan gaat het over macht en spreken we van een vorm van chantage. En juist binnen het jeugdvoetbal is dat een ontwikkeling waar we volgens mij voorzichtig mee moeten zijn.

Want stel je eens voor dat je als teamleider verantwoordelijk bent voor een jeugdteam en vervolgens te horen krijgt dat de sponsor zijn kleding terug wil als zijn zoon niet wordt geselecteerd. Wat moet je dan? Je kunt natuurlijk zeggen: ‘Dat is uw goed recht, haal die kleding maar op.’Maar daarmee heb je wel een probleem. Want wie draait vervolgens op voor nieuwe kleding? Wie gaat ouders vertellen dat er ineens geen tenue of trainingspak meer is? En hoe leg je dat uit aan de andere kinderen?

De teamleider komt daardoor in een positie terecht waarin hij moet gaan marchanderen met iets waar eigenlijk helemaal niet over onderhandeld zou moeten worden. En misschien nog vervelender: wanneer het bestuur vervolgens onvoldoende achter die teamleider gaat staan, ontstaat er een tweede probleem. Want een vrijwilliger die zich inzet voor een jeugdteam moet weten dat hij of zij wordt gesteund wanneer er lastige beslissingen moeten worden genomen. Zeker wanneer het gaat om de selectie van kinderen. Je kunt als vereniging onmogelijk tegen een trainer of teamleider zeggen dat hij onafhankelijk moet selecteren en tegelijkertijd de deur openzetten voor ouders, sponsors of andere betrokkenen die vervolgens invloed proberen uit te oefenen.

Dat werkt niet.Een sponsor kan een vereniging helpen. Een ouder kan zijn of haar kind steunen. Een bestuurder kan voorwaarden scheppen. Maar uiteindelijk hoort iemand die verantwoordelijk is voor de selectie van een team de vrijheid te hebben om die selectie te maken. Zonder druk. Zonder dreigementen. En zonder de wetenschap dat er misschien ergens een sponsorcontract of een rekening tegenover staat. Wat mij misschien nog wel het meest bezighoudt, is dat ik niet denk dat dit een op zichzelf staand incident is. Ik denk dat dit soort situaties vaker voorkomen dan wij weten. Niet altijd zo opzichtig natuurlijk. Niet altijd met de mededeling dat een trainingspak wordt teruggenomen. Soms zal het subtieler gaan. Een vader die toevallig even bij de trainer informeert waarom zijn zoon niet speelt. Een moeder die uitlegt hoeveel tijd en geld zij in het voetballen van haar dochter steekt. Een sponsor die tijdens een gesprek laat vallen dat zijn zoon toch wel erg graag in een bepaald team zou willen spelen. Of een ouder die binnen de vereniging net iets meer invloed heeft omdat hij een bestuursfunctie bekleedt, sponsor is of veel voor de club doet. Daar ontstaat het gevaar. Want kinderen merken dat. En kinderen praten.

De ene speler ziet dat een teamgenoot misschien niet de beste voetballer is, maar toch steeds speelt. Een ander kind vraagt zich af waarom hij of zij iedere week hard moet trainen terwijl een ander via vader of moeder blijkbaar een kortere route naar een selectieteam heeft. Daarmee raak je aan iets wat veel belangrijker is dan alleen een opstelling. Je komt aan vertrouwen. Kinderen moeten erop kunnen vertrouwen dat hun prestaties op het veld ertoe doen. Dat inzet wordt gezien. Dat ontwikkeling wordt beloond. En dat selectie niet afhankelijk is van de portemonnee, de status of de contacten van hun ouders. Natuurlijk is jeugdvoetbal geen exacte wetenschap .Trainers kunnen verkeerde keuzes maken. Ouders kunnen het oneens zijn met een beslissing. Een speler kan zich tekortgedaan voelen. Daar is niets vreemds aan. Maar dat is iets anders dan beïnvloeding. Een trainer mag een verkeerde beslissing nemen. Een trainer mag zelfs een beslissing nemen waar ouders het absoluut niet mee eens zijn. Maar zolang die beslissing op voetbalinhoudelijke of pedagogische gronden wordt genomen, hoort die ruimte er te zijn. Daarom zou een vereniging ook duidelijke afspraken moeten hebben over sponsoring en selectie.

Een sponsor sponsort. Een trainer selecteert. Een bestuur bewaakt de kaders. En ouders ondersteunen hun kinderen. Zo simpel zou het moeten zijn.

Ik zie Henk Doppenberg in gedachten achter zijn toetsenbord zitten wanneer hij dit verhaal onder ogen zou krijgen. Waarschijnlijk met die bekende combinatie van humor en scherpte. Eerst een paar zinnen waardoor je moet glimlachen en vervolgens een passage waarin hij de vinger precies op de zere plek legt. Hij zou er ongetwijfeld op een nette manier met gestrekt been ingaan. En misschien is dat ook precies wat we nodig hebben. Niet om een individuele sponsor aan de schandpaal te nagelen. Niet om een vereniging af te rekenen op één incident. Maar wel om met elkaar de discussie te voeren over waar de grens ligt. Want sponsoring is belangrijk voor het amateurvoetbal. Zonder sponsoren zouden veel verenigingen het een stuk moeilijker hebben. Daar mogen we best waardering voor hebben. Maar een sponsor koopt geen invloed op een opstelling. Een sponsor koopt geen basisplaats. En een sponsor koopt al helemaal geen selectieplaats voor zijn kind.

Een sponsor bepaalt de opstelling niet.

Dat zou geen bijzondere uitspraak moeten zijn. Dat zou binnen iedere voetbalvereniging vanzelfsprekend moeten zijn. Want zodra we zover komen dat een kind niet alleen met zijn voetbalschoenen, maar ook met de macht van zijn ouders het veld op gaat, zijn we wat mij betreft een grens gepasseerd. En misschien is dat wel precies het soort verhaal waar Henk Doppenberg een aantal jaren geleden zijn pen voor zou hebben gepakt.