Gebakken lucht op het voetbalveld

Geschreven door Johan Staal op . Geplaatst in Even na praten

 

De stelling dat een voetballer hard op de grond moet slaan om de pijn van een overtreding te verlichten, hoort wat mij betreft thuis in dezelfde categorie als allerlei andere moderne voetbalrituelen: alles voor de bühne. Het is een toneelstuk geworden dat supporters inmiddels zo vaak zien, dat velen het normaal zijn gaan vinden. Maar normaal is het eigenlijk helemaal niet.



johan 1

Wie tegenwoordig een gemiddelde voetbalwedstrijd kijkt, ziet het voortdurend gebeuren. Een speler krijgt een tik, rolt twee keer over de grond en begint vervolgens demonstratief met zijn vlakke hand op het gras te slaan. Alsof hij ondraaglijke pijn lijdt. Alsof er zojuist een been is afgebroken. Het opvallende is alleen dat diezelfde speler twintig seconden later meestal alweer sprintend over het veld loopt alsof er niets gebeurd is. En juist daarom voelt het zo ongeloofwaardig.

Want laten we eerlijk zijn: als je écht zoveel pijn hebt, denk je dan werkelijk aan het slaan op de grasmat? Natuurlijk niet. Dat slaan heeft maar één doel: aan iedereen laten zien hoe zwaar de overtreding zogenaamd was. Aan de scheidsrechter, aan het publiek en vooral aan de tegenstander. Het is een visueel hulpmiddel geworden om extra aandacht te trekken voor de overtreding.

Daarmee probeert een speler indirect een tegenstander een kaart aan te smeren. Dat is de ware reden. Niet pijnverlichting, niet een reflex, maar pure beeldvorming.

Sterker nog: het enige wat je met dat overdreven slaan op de grond bereikt, is een extra kans op een pijnlijke hand of pols. Het heeft medisch gezien totaal geen nut. Niemand geneest sneller van een schop op de enkel door de grasmat mishandelend te lijf te gaan. Toch blijft het gebeuren, omdat voetballers weten dat beelden tegenwoordig belangrijker zijn dan werkelijkheid. En dat is misschien wel het grootste probleem van het moderne voetbal: de sport draait steeds vaker om uitstraling en theater.

Neem alleen al het gedrag direct na het laatste fluitsignaal. Een ploeg heeft verloren en prompt laten meerdere spelers zich achterover op het gras vallen alsof ze zojuist een militaire veldslag van drie dagen hebben overleefd. Uitgeput kijken ze richting de hemel, handen voor het gezicht, compleet ingestort.

Natuurlijk kost voetbal energie. Natuurlijk geven spelers veel. Maar dat theatrale neervallen is inmiddels net zo ingestudeerd als een juichdansje na een doelpunt. Het hoort bij het plaatje dat een speler wil uitstralen: kijk eens hoeveel strijd ik geleverd heb. Hetzelfde geldt voor de inmiddels verplichte kringgesprekken voor de wedstrijd. Spelers staan arm in arm, er wordt geschreeuwd, er worden kreten geroepen over strijd, passie en oorlog. Tien seconden later begint de wedstrijd en blijkt het vooral een symbolisch toneelstukje voor camera’s en sociale media.

Ook het overdreven handjes schudden bij wissels hoort in dat rijtje thuis. Vroeger liep een gewisselde speler gewoon naar de kant. Tegenwoordig ontstaat er bijna een ceremonie. Eerst alle ploeggenoten af, vervolgens de trainer omhelzen, nog even klappen naar het publiek en daarna uitgebreid plaatsnemen op de bank. Het is allemaal onderdeel geworden van het imago dat voetballers tegenwoordig voortdurend moeten onderhouden. Want een moderne voetballer is allang niet meer alleen sportman. Hij is ook een merk geworden.

En precies daarom zie je zoveel overdreven gedrag op het veld. Alles draait om uitstraling, emotie en zichtbaarheid. Niet alleen voor supporters in het stadion, maar vooral voor camera’s, samenvattingen en sociale media. Een speler die zichtbaar lijdt, strijdt en emotie toont, wordt sneller gezien als iemand met passie. Zelfs wanneer die emotie grotendeels gespeeld is. Dat maakt het voetbal steeds moeilijker serieus te nemen.

Supporters verlangen namelijk helemaal niet naar toneelspel. Ze willen eerlijkheid, strijd en authenticiteit zien. Een harde tackle incasseren en gewoon weer opstaan, dat dwingt respect af. Niet het slaan op het gras alsof de wereld vergaat.

De mooiste en beste voetballers waren vaak juist spelers die geen theater nodig hadden. Voetballers die zich niet bezighielden met uiterlijk vertoon, maar simpelweg voetbalden. Die niet bij iedere aanraking een doodsstrijd opvoerden, maar hun energie in de wedstrijd stopten. Tegenwoordig lijkt dat soms bijna ouderwets.

Maar misschien is dat precies waar veel supporters naar terugverlangen: minder ingestudeerde emotie en meer echtheid. Minder gebaren voor de camera en meer focus op het spel zelf. Want uiteindelijk blijft veel van dat gedrag precies wat het is: gebakken lucht.