Meer teams op papier dan op het veld: tijd voor realisme in het amateurvoetbal

Geschreven door Johan Staal op . Geplaatst in Even na praten

Het artikel ‘Mooiweervoetballer (deel 2)’ zorgde – zoals verwacht – voor de nodige reacties. Reacties die niet alleen ingingen op de keuzes van voetballers om een stapje terug te doen, maar ook een breder en hardnekkiger probleem blootlegden binnen het amateurvoetbal: het structureel overschatten van het aantal beschikbare spelers, met name bij seniorenteams.

logo

Eén reactie sprong er voor mij uit. Daarin werd treffend verwoord dat spelers die bewust een stapje terug doen, dat vaak doen om van verplichtingen af te zijn. Minder trainingsdruk, minder vaste verwachtingen, meer ruimte voor werk, gezin of andere prioriteiten. En eerlijk is eerlijk: dat is een ontwikkeling die we al jaren zien. Het leven van veel amateurvoetballers verandert, en voetbal moet zich daar in zekere zin toe verhouden.

Tegelijkertijd werd in diezelfde reactie ook de vinger op de zere plek gelegd. Want hoewel individuele keuzes begrijpelijk zijn, blijft voetbal een teamsport. Dat betekent dat je er ook bent voor elkaar. Voor je teamgenoten, voor de club. En daar ontstaat steeds vaker de spanning. Want waar spelers flexibiliteit zoeken, rekenen verenigingen vaak nog op beschikbaarheid alsof het 2005 is.

Het gevolg? Clubs schrijven structureel te veel teams in. Op papier ziet het er vaak prachtig uit: vier, vijf of zelfs zes seniorenteams. Maar wie iets verder kijkt dan de teamindelingen, ziet al snel dat die aantallen zelden overeenkomen met de realiteit. Vier teams blijken er in de praktijk drie te zijn. Drie worden er twee. En bij twee wordt het al snel puzzelen, afzeggingen opvangen en hopen dat er ergens nog een extra speler opduikt.

Iedereen die het amateurvoetbal een beetje volgt – zeker via apps en wedstrijdprogramma’s – herkent dit beeld. Wedstrijden die op het laatste moment worden afgelast. Teams die met elf man of minder op komen dagen. Of elftallen die wekelijks aangevuld moeten worden met spelers uit andere teams. Het is geen incident meer, maar een structureel probleem.

De kern daarvan ligt bij wat je het ‘reken-je-rijk-scenario’ zou kunnen noemen. Verenigingen gaan bij de teamindeling uit van het ideale plaatje: iedereen is fit, iedereen is beschikbaar, en iedereen heeft dezelfde prioriteit – namelijk voetbal. Maar de praktijk is anders. Spelers werken onregelmatig, hebben jonge gezinnen, kiezen er bewust voor om minder vaak te trainen of te spelen, of haken gedurende het seizoen af.

Tel daarbij op dat status soms ook nog een rol speelt. Want laten we eerlijk zijn: het staat nu eenmaal beter om vijf seniorenteams te hebben dan drie. Het geeft een gevoel van omvang, van groei, van vitaliteit. Maar als die teams niet structureel gevuld kunnen worden, is dat vooral schijn.

Een treffend voorbeeld hoorde ik onlangs in een gesprek over een aanstaande fusie tussen drie verenigingen. Op papier beschikken deze clubs samen over zes seniorenteams. De hoop is dat er na de fusie voldoende spelers zijn om vier teams in te schrijven. Maar zelfs daar werd al voorzichtig bij gezegd dat de realiteit waarschijnlijk eerder richting drie – of misschien zelfs twee – teams zal gaan.

Dat is geen negatieve benadering, maar juist een realistische. En misschien is dat precies waar het aan ontbreekt: realisme. De bereidheid om eerlijk te kijken naar het aantal actieve, beschikbare en gemotiveerde spelers. Niet alleen aan het begin van het seizoen, maar ook met het oog op de maanden die volgen.

Jaren geleden stelde ik al eens dat je per seniorenteam idealiter zo’n twintig spelers nodig hebt. Dat lijkt misschien ruim, maar iedereen die een seizoen heeft meegemaakt weet waarom. Blessures, vakanties, werkverplichtingen en simpelweg afmeldingen zorgen ervoor dat je zelden met een volledige groep bent. Met twintig spelers heb je ruimte om dat op te vangen zonder wekelijks in de problemen te komen.

Heb je dus bijvoorbeeld 38 seniorenspelers? Dan is het inschrijven van twee teams in competitieverband eigenlijk al optimistisch. Het lijkt haalbaar, maar in de praktijk kom je al snel tekort. Eén blessuregolf of een paar afzeggingen en je zit direct in de knel. En dat is precies wat er bij veel verenigingen gebeurt.

Misschien moeten clubs daarom vaker de moed hebben om een stap terug te doen. Niet uit zwakte, maar uit kracht. Liever twee goed bezette, stabiele teams dan drie elftallen die wekelijks moeten improviseren. Liever kwaliteit en continuïteit dan kwantiteit op papier.

Want uiteindelijk draait amateurvoetbal om plezier, betrokkenheid en samen spelen. En dat komt het beste tot zijn recht in teams die daadwerkelijk functioneren – niet alleen op papier, maar vooral in de praktijk.