De Stelling: Clubs uit KKD mogen geen spelers uit het buitenland aantrekken/huren
De stelling van deze week, dat clubs uit de eerste divisie geen buitenlandse spelers mogen aantrekken of huren, is er eentje die op het eerste gezicht behoorlijk stevig binnenkomt. Ook ik vond het een pittige uitspraak van Jan te Caat. Dat komt vooral omdat er in het verleden zeker voorbeelden zijn geweest van buitenlandse spelers die de Keuken Kampioen Divisie kleur gaven. Soms zit er namelijk echt een ‘pareltje’ tussen waar je als voetballiefhebber van kunt genieten. Spelers die iets extra’s brengen, die het spel versnellen of gewoonweg voor spektakel zorgen. .

Toch, als je verder kijkt dan dat ene positieve voorbeeld, kom je al snel tot een andere conclusie. Want hoe vaak komt zo’n pareltje nou écht voor? In de praktijk blijkt dat het merendeel van de buitenlandse spelers in de KKD geen structurele bijdrage levert aan het Nederlandse voetbal. Sterker nog: ik durf te stellen dat ongeveer 90% van deze spelers na hun periode in de eerste divisie geen stap maakt richting de Eredivisie.. Dat is precies waar het probleem zit. Want als het doel van de KKD mede is om talent te ontwikkelen en de doorstroom naar het hoogste niveau te bevorderen, dan schieten buitenlandse spelers in veel gevallen hun doel voorbij. In plaats van dat ze zich ontwikkelen tot vaste krachten in de Eredivisie, verdwijnen ze vaak weer net zo snel als ze gekomen zijn. Vaak worden ze, gestuurd door hun zaakwaarnemer , laten we hem voor het gemak ‘Pietje Graaimans’ noemen, weer doorverkocht naar een andere buitenlandse club. Niet omdat ze zo succesvol zijn, maar juist omdat ze nét tekortkomen voor de stap omhoog.
En daar hebben we het probleem. Want op dat moment hebben ze feitelijk een plek ingenomen die ook ingevuld had kunnen worden door een Nederlands talent. Een speler die mogelijk wél de potentie heeft om door te groeien, maar simpelweg minder kansen krijgt omdat clubs kiezen voor een ogenschijnlijk ‘veilige’ buitenlandse optie. De kern van de stelling van Jan te Caat raakt dan ook aan iets groters: de ontwikkeling van eigen talent. Nederland staat al jarenlang bekend als opleidingsland. We hebben een rijke traditie als het gaat om het opleiden van voetballers, en die lijn zouden we moeten koesteren en beschermen. De KKD speelt daarin een cruciale rol. Het is dé competitie waar jonge spelers minuten kunnen maken, fouten mogen maken en zich kunnen ontwikkelen. Als clubs die plekken invullen met buitenlandse spelers die vaak slechts tijdelijk blijven, ondermijnen ze die functie. Dat is zonde, want het talent loopt hier wel degelijk rond. Alleen moet je er als club moeite voor doen om het te vinden en te ontwikkelen. Neem bijvoorbeeld de zoektocht naar een speler als Kees Smit. Misschien niet helemaal zo goed als Kees maar dat type speler, jong, technisch vaardig en met potentie,is er echt wel in Nederland. Maar je moet er als club in investeren. Je moet scouten, wedstrijden en trainingen bezoeken, gesprekken voeren. Dat vraagt tijd, energie en visie. Het is makkelijker om een filmpje te bekijken dat een zaakwaarnemer je toestuurt en op basis daarvan een speler binnen te halen. Maar makkelijker is niet per definitie beter. Sterker nog, die afhankelijkheid van video’s en tussenpersonen heeft het scoutingvak deels uitgehold. Waar vroeger scouts langs de velden stonden, spelers live beoordeelden en een goed netwerk hadden in het amateurvoetbal, zie je nu steeds vaker dat beslissingen op afstand worden genomen. Dat vergroot de kans op miskopen en verkleint de kans dat lokaal talent wordt ontdekt. Daarnaast speelt nog een ander belangrijk punt mee: de rol van Jong-teams in de KKD. Toen deze teams werden toegelaten, was het idee juist om de doorstroom van Nederlandse talenten te bevorderen. Jong Ajax, Jong PSV, Jong Utrecht en Jong AZ bieden jonge spelers de kans om op een hoger niveau te spelen en zich klaar te stomen voor het eerste elftal. Als tegelijkertijd andere clubs in de competitie hun plekken vullen met buitenlandse spelers wordt dat oorspronkelijke doel deels ondermijnd. Dan ontstaat er een scheve situatie waarin de ene helft van de competitie gericht is op ontwikkeling, terwijl de andere helft zich vooral richt op korte termijn oplossingen. Dat betekent niet dat alles wat uit het buitenland komt per definitie slecht is. Zeker niet. Maar de gedachte dat buitenlandse spelers automatisch beter zijn dan spelers van eigen bodem, is simpelweg onjuist. Kwaliteit zit niet in nationaliteit, maar in opleiding, mentaliteit en kansen. Juist daarom is het belangrijk om als Nederlandse clubs weer meer vertrouwen te hebben in de eigen vijver. Investeer in scouting, geef jonge spelers de kans. Op de lange termijn levert dat veel meer op , voor de clubs zelf, maar ook voor het Nederlandse voetbal als geheel. Alles afwegende ben ik het daarom eens met de stelling. Niet omdat buitenlandse spelers geen waarde kunnen hebben, maar omdat het grotere belang , de ontwikkeling van Nederlands talent en de versterking van het voetbal in eigen land , zwaarder weegt. De KKD moet in de eerste plaats een opleidingscompetitie zijn, en daar horen keuzes bij die misschien op korte termijn lastig zijn, maar op lange termijn noodzakelijk.

Toch, als je verder kijkt dan dat ene positieve voorbeeld, kom je al snel tot een andere conclusie. Want hoe vaak komt zo’n pareltje nou écht voor? In de praktijk blijkt dat het merendeel van de buitenlandse spelers in de KKD geen structurele bijdrage levert aan het Nederlandse voetbal. Sterker nog: ik durf te stellen dat ongeveer 90% van deze spelers na hun periode in de eerste divisie geen stap maakt richting de Eredivisie.. Dat is precies waar het probleem zit. Want als het doel van de KKD mede is om talent te ontwikkelen en de doorstroom naar het hoogste niveau te bevorderen, dan schieten buitenlandse spelers in veel gevallen hun doel voorbij. In plaats van dat ze zich ontwikkelen tot vaste krachten in de Eredivisie, verdwijnen ze vaak weer net zo snel als ze gekomen zijn. Vaak worden ze, gestuurd door hun zaakwaarnemer , laten we hem voor het gemak ‘Pietje Graaimans’ noemen, weer doorverkocht naar een andere buitenlandse club. Niet omdat ze zo succesvol zijn, maar juist omdat ze nét tekortkomen voor de stap omhoog.
En daar hebben we het probleem. Want op dat moment hebben ze feitelijk een plek ingenomen die ook ingevuld had kunnen worden door een Nederlands talent. Een speler die mogelijk wél de potentie heeft om door te groeien, maar simpelweg minder kansen krijgt omdat clubs kiezen voor een ogenschijnlijk ‘veilige’ buitenlandse optie. De kern van de stelling van Jan te Caat raakt dan ook aan iets groters: de ontwikkeling van eigen talent. Nederland staat al jarenlang bekend als opleidingsland. We hebben een rijke traditie als het gaat om het opleiden van voetballers, en die lijn zouden we moeten koesteren en beschermen. De KKD speelt daarin een cruciale rol. Het is dé competitie waar jonge spelers minuten kunnen maken, fouten mogen maken en zich kunnen ontwikkelen. Als clubs die plekken invullen met buitenlandse spelers die vaak slechts tijdelijk blijven, ondermijnen ze die functie. Dat is zonde, want het talent loopt hier wel degelijk rond. Alleen moet je er als club moeite voor doen om het te vinden en te ontwikkelen. Neem bijvoorbeeld de zoektocht naar een speler als Kees Smit. Misschien niet helemaal zo goed als Kees maar dat type speler, jong, technisch vaardig en met potentie,is er echt wel in Nederland. Maar je moet er als club in investeren. Je moet scouten, wedstrijden en trainingen bezoeken, gesprekken voeren. Dat vraagt tijd, energie en visie. Het is makkelijker om een filmpje te bekijken dat een zaakwaarnemer je toestuurt en op basis daarvan een speler binnen te halen. Maar makkelijker is niet per definitie beter. Sterker nog, die afhankelijkheid van video’s en tussenpersonen heeft het scoutingvak deels uitgehold. Waar vroeger scouts langs de velden stonden, spelers live beoordeelden en een goed netwerk hadden in het amateurvoetbal, zie je nu steeds vaker dat beslissingen op afstand worden genomen. Dat vergroot de kans op miskopen en verkleint de kans dat lokaal talent wordt ontdekt. Daarnaast speelt nog een ander belangrijk punt mee: de rol van Jong-teams in de KKD. Toen deze teams werden toegelaten, was het idee juist om de doorstroom van Nederlandse talenten te bevorderen. Jong Ajax, Jong PSV, Jong Utrecht en Jong AZ bieden jonge spelers de kans om op een hoger niveau te spelen en zich klaar te stomen voor het eerste elftal. Als tegelijkertijd andere clubs in de competitie hun plekken vullen met buitenlandse spelers wordt dat oorspronkelijke doel deels ondermijnd. Dan ontstaat er een scheve situatie waarin de ene helft van de competitie gericht is op ontwikkeling, terwijl de andere helft zich vooral richt op korte termijn oplossingen. Dat betekent niet dat alles wat uit het buitenland komt per definitie slecht is. Zeker niet. Maar de gedachte dat buitenlandse spelers automatisch beter zijn dan spelers van eigen bodem, is simpelweg onjuist. Kwaliteit zit niet in nationaliteit, maar in opleiding, mentaliteit en kansen. Juist daarom is het belangrijk om als Nederlandse clubs weer meer vertrouwen te hebben in de eigen vijver. Investeer in scouting, geef jonge spelers de kans. Op de lange termijn levert dat veel meer op , voor de clubs zelf, maar ook voor het Nederlandse voetbal als geheel. Alles afwegende ben ik het daarom eens met de stelling. Niet omdat buitenlandse spelers geen waarde kunnen hebben, maar omdat het grotere belang , de ontwikkeling van Nederlands talent en de versterking van het voetbal in eigen land , zwaarder weegt. De KKD moet in de eerste plaats een opleidingscompetitie zijn, en daar horen keuzes bij die misschien op korte termijn lastig zijn, maar op lange termijn noodzakelijk.