Man van de wedstrijd Elvis Hedzic: een mooi gebaar maakt veel indruk
Iedere voetballiefhebber kent het ritueel. Na afloop van een wedstrijd, op de fiets richting huis of achter het stuur van de auto, wordt het duel nog eens rustig herbeleefd. De passes, de tackles, de duels, de doelpunten. En steevast komt die ene vraag voorbij: wie was vandaag de man van de wedstrijd? Soms is dat de spits met een schitterende goal of een beslissende assist. Soms de verdediger die alles wegkopt wat los en vast zit en zijn directe tegenstander tot wanhoop drijft. En heel af en toe is het een middenvelder. Zo’n speler die zich in stilte kapot werkt, nauwelijks in de statistieken terug te vinden is, maar wiens afwezigheid je onmiddellijk zou voelen. De spelers die trainers koesteren, maar die na afloop vaak onopgemerkt richting kleedkamer verdwijnen. En soms is het ook de scheidsrechter die de man van de wedstrijd is.
.
Het was zaterdag, voorafgaand aan het duel tussen ZEC en Kloosterburen, dat daar opeens die opmerking was: “Ben jij Morris of Tim?” Een opmerking die niet alleen bij mij voor verbazing zorgde, maar zeker ook bij Tim, die naast zijn opa stond. De vraag kwam uit het niets, van een speler die zich klaarmaakte voor de wedstrijd, geconcentreerd, maar blijkbaar toch scherp genoeg om een jonge toeschouwer op te merken.
De volgende vraag volgde vrijwel direct. Nadat de vraagsteller had gehoord dat hij Tim was, wilde hij weten of Tim zelf ook had gevoetbald. Tim antwoordde ontkennend, met een kleine toelichting van opa dat de zaalwedstrijden net waren afgelopen en dat het veldseizoen op 11 april weer zou beginnen. Het was een alledaags gesprekje, kort en luchtig, maar toch bijzonder. Want hoe vaak gebeurt het dat een speler vlak voor de aftrap even de tijd neemt voor zo’n moment?
Het gesprek kabbelde nog even door, tot de speler werd geroepen om zich bij de kleedkamer te melden. De focus moest op de wedstrijd. Voor ons restte een glimlach en een klein gevoel van verwondering. Samen met Tim zocht ik vervolgens een plekje langs de lijn, gewoon achter het hek, wachtend op wat er ging komen.
De eerste helft bood weinig spektakel. Het spel was rommelig, passes kwamen niet altijd aan en echte kansen waren schaars. Het was zo’n wedstrijd waarin het publiek zich af en toe afvroeg waar het naar zat te kijken, maar toch bleef, in de hoop dat het na rust beter zou worden.
En dat werd het.
Aan de kant van de thuisploeg werd een wissel toegepast, en vrijwel direct was zichtbaar dat dit het spel ten goede kwam. Er kwam meer rust in de ploeg, de bal ging sneller rond en passes kwamen ineens wel aan. Het spel van Zandeweer kreeg structuur, alsof er iemand opstond die het geheel overzag en de lijnen uitzette.
Naast mij stond Tim, inmiddels rillend van de kou, maar vastberaden om niet eerder weg te gaan. Zijn ogen volgden het spel aandachtig. Waar veel volwassenen zich misschien lieten meeslepen door het geheel, pikte hij er feilloos uit wat echt het verschil maakte. Na afloop, in de auto op weg naar huis, kwam het gesprek vanzelf op gang. “Die voetballer die bij ons kwam staan en mij kende is best goed, opa,” zei hij. “Die gaf mooie passes.”
Ik moest lachen om die opmerking van een zesjarig jongetje dat nog aan het begin staat van zijn eigen voetballoopbaan, op welk niveau dan ook. Maar tegelijkertijd had hij het bij het rechte eind. Want inderdaad, al bibberend langs de lijn, had hij gezien wat misschien niet iedereen direct was opgevallen. De speler met rugnummer 12, die na rust was ingevallen, was met afstand de beste man op het veld.
Hij was degene die uit een strafschop de 1-0 scoorde en degene die het spel liet draaien. Die ervoor zorgde dat anderen beter gingen voetballen. Die rust bracht waar eerder chaos was.
Bij aankomst thuis, waar mamma en zus Maud al wachtten, wilde Tim nog maar één ding weten: wie was die voetballer eigenlijk? Wie was degene die zijn naam wist en die hij had zien uitblinken op het veld?
Het antwoord was Elvis Hedzic.
Met alleen al de vraag “Ben jij Morris of Tim?” had hij de wedstrijd ZEC-Kloosterburen voor ons tot iets bijzonders gemaakt. Niet alleen door zijn spel, maar ook door dat kleine moment van aandacht vooraf. Het liet zien dat voetbal meer is dan alleen wat er binnen de lijnen gebeurt. Het zijn ook de ontmoetingen, de verhalen, de herinneringen die blijven hangen.
En misschien is dat wel de mooiste vorm van “man van de wedstrijd” zijn. Niet alleen uitblinken met de bal aan de voet, maar ook daarbuiten een indruk achterlaten. Een glimlach bezorgen, een gesprek beginnen, een jonge voetballiefhebber inspireren. Voor Tim was er in ieder geval geen twijfel mogelijk. De man van de wedstrijd droeg rugnummer 12. En zijn naam? Die was hij niet meer van plan om te vergeten.
.

Het was zaterdag, voorafgaand aan het duel tussen ZEC en Kloosterburen, dat daar opeens die opmerking was: “Ben jij Morris of Tim?” Een opmerking die niet alleen bij mij voor verbazing zorgde, maar zeker ook bij Tim, die naast zijn opa stond. De vraag kwam uit het niets, van een speler die zich klaarmaakte voor de wedstrijd, geconcentreerd, maar blijkbaar toch scherp genoeg om een jonge toeschouwer op te merken.
De volgende vraag volgde vrijwel direct. Nadat de vraagsteller had gehoord dat hij Tim was, wilde hij weten of Tim zelf ook had gevoetbald. Tim antwoordde ontkennend, met een kleine toelichting van opa dat de zaalwedstrijden net waren afgelopen en dat het veldseizoen op 11 april weer zou beginnen. Het was een alledaags gesprekje, kort en luchtig, maar toch bijzonder. Want hoe vaak gebeurt het dat een speler vlak voor de aftrap even de tijd neemt voor zo’n moment?
Het gesprek kabbelde nog even door, tot de speler werd geroepen om zich bij de kleedkamer te melden. De focus moest op de wedstrijd. Voor ons restte een glimlach en een klein gevoel van verwondering. Samen met Tim zocht ik vervolgens een plekje langs de lijn, gewoon achter het hek, wachtend op wat er ging komen.
De eerste helft bood weinig spektakel. Het spel was rommelig, passes kwamen niet altijd aan en echte kansen waren schaars. Het was zo’n wedstrijd waarin het publiek zich af en toe afvroeg waar het naar zat te kijken, maar toch bleef, in de hoop dat het na rust beter zou worden.
En dat werd het.
Aan de kant van de thuisploeg werd een wissel toegepast, en vrijwel direct was zichtbaar dat dit het spel ten goede kwam. Er kwam meer rust in de ploeg, de bal ging sneller rond en passes kwamen ineens wel aan. Het spel van Zandeweer kreeg structuur, alsof er iemand opstond die het geheel overzag en de lijnen uitzette.
Naast mij stond Tim, inmiddels rillend van de kou, maar vastberaden om niet eerder weg te gaan. Zijn ogen volgden het spel aandachtig. Waar veel volwassenen zich misschien lieten meeslepen door het geheel, pikte hij er feilloos uit wat echt het verschil maakte. Na afloop, in de auto op weg naar huis, kwam het gesprek vanzelf op gang. “Die voetballer die bij ons kwam staan en mij kende is best goed, opa,” zei hij. “Die gaf mooie passes.”
Ik moest lachen om die opmerking van een zesjarig jongetje dat nog aan het begin staat van zijn eigen voetballoopbaan, op welk niveau dan ook. Maar tegelijkertijd had hij het bij het rechte eind. Want inderdaad, al bibberend langs de lijn, had hij gezien wat misschien niet iedereen direct was opgevallen. De speler met rugnummer 12, die na rust was ingevallen, was met afstand de beste man op het veld.
Hij was degene die uit een strafschop de 1-0 scoorde en degene die het spel liet draaien. Die ervoor zorgde dat anderen beter gingen voetballen. Die rust bracht waar eerder chaos was.
Bij aankomst thuis, waar mamma en zus Maud al wachtten, wilde Tim nog maar één ding weten: wie was die voetballer eigenlijk? Wie was degene die zijn naam wist en die hij had zien uitblinken op het veld?
Het antwoord was Elvis Hedzic.
Met alleen al de vraag “Ben jij Morris of Tim?” had hij de wedstrijd ZEC-Kloosterburen voor ons tot iets bijzonders gemaakt. Niet alleen door zijn spel, maar ook door dat kleine moment van aandacht vooraf. Het liet zien dat voetbal meer is dan alleen wat er binnen de lijnen gebeurt. Het zijn ook de ontmoetingen, de verhalen, de herinneringen die blijven hangen.
En misschien is dat wel de mooiste vorm van “man van de wedstrijd” zijn. Niet alleen uitblinken met de bal aan de voet, maar ook daarbuiten een indruk achterlaten. Een glimlach bezorgen, een gesprek beginnen, een jonge voetballiefhebber inspireren. Voor Tim was er in ieder geval geen twijfel mogelijk. De man van de wedstrijd droeg rugnummer 12. En zijn naam? Die was hij niet meer van plan om te vergeten.