De stelling van deze week: voetbalschoenen moeten aan kwaliteitseisen voldoen voordat je ze als voetbalschoenen mag verkopen
De stelling van deze week waar Jan ten Caat mee kwam kan ik alleen maar volmondig onderschrijven. Sterker nog: ik vraag me af waarom die discussie überhaupt nodig is. Natuurlijk moeten voetbalschoenen aan kwaliteitseisen voldoen voordat ze als voetbalschoenen verkocht mogen worden. Het is immers geen modeaccessoire maar sportmateriaal. Gereedschap, als je het zo wilt noemen. En gereedschap moet deugen.

Wie tegenwoordig een sportwinkel binnenloopt, krijgt soms het gevoel dat kwaliteit ergens onderaan het prioriteitenlijstje bungelt. Kleur, design, marketing en vooral hype lijken belangrijker te zijn geworden dan pasvorm, materiaal en functionaliteit.
Dat was vroeger wel anders.
In mijn periode bij Sporthuis Sjoerd van der Baan heb ik duizenden paar voetbalschoenen verkocht. Dat waren andere tijden. De merken waren overzichtelijk: Adidas, Puma, Quick en later het Franse Patrick. En de belangrijke modellen? Die ken ik vijfrig jaar later nog uit mijn hoofd: de Adidas World Cup, de Puma King en de Quick Topstar. Schoenen die gemaakt waren om in te voetballen, niet om mee te pronken op Instagram.
Ze waren zwart. Gewoon zwart. Met misschien een paar witte strepen als herkenning. Dat was het. Geen neonkleuren, geen glimmende fratsen, geen schoenen die eruitzien alsof ze zo uit een discotheek komen rollen.
En weet je wat het mooie was? Ze waren goed en van leer. Leer dat zich naar je voet vormde, een zool die grip gaf op het veld en noppen die deden wat ze moesten doen: stabiliteit bieden. Het waren geen wegwerpproducten maar degelijk sportmateriaal. Als ik nu sommige voetbalschoenen zie, denk ik soms dat ze de veters van de schoenen van vroeger nog niet eens zouden mogen strikken. Het lijkt steeds meer op een wegwerpartikel. Mooi voor even, maar na een seizoen, als ze dat al halen, kun je weer nieuwe kopen.
En het blijft niet alleen bij de schoenen.
Het verschil zit ook in de verkopers. Vroeger was verkopen nog een vak. Niet omdat de baas dat verplichtte, maar omdat je het zelf interessant vond. Je verdiepte je in wat je verkocht. Je wilde weten waarom een bepaalde schoen geschikt was voor een bepaald type voet of voor een bepaalde positie in het veld.
De eerste vraag was altijd: “Welke positie speel je?”
Daarna werd er naar de voeten gekeken. Niet vluchtig, maar serieus. Had iemand een brede voet? Dan kwam je vaak bij Quick uit. Een smalle voet? Dan was Puma vaak een betere keuze. En zo ging dat met alles.
Zelfs de zool was onderwerp van gesprek.
Als ik vroeger tegen een keeper zei dat hij 16/16 moest dragen, wist hij precies wat ik bedoelde: lange pinnen onder de schoen. Grip op een nat en modderig veld. Tegenwoordig kijken ze je waarschijnlijk aan alsof je het over een postcode hebt.
Dat zegt genoeg.
Laatst liep ik nog eens een sportwinkel binnen. Scapino, in Paddepoel. Daar lagen ze: de moderne voetbalschoenen. Of beter gezegd: balletschoenen met nopjes. Flinterdun, felgekleurde dingen zonder veters, waarvan je je serieus moet afvragen op welk veld ze überhaupt bruikbaar zijn. Op een modderig grasveld? Vergeet het maar. Op een natte herfstmiddag ergens in de provincie? Kansloos.
Maar ze worden verkocht. En waarom? Omdat ze een mooie kleur hebben.
Daar krijg ik dus jeuk van. Voetbalschoenen koop je niet op kleur. Je koopt ze op kwaliteit en pasvorm. Op functionaliteit. Ze moeten doen waarvoor ze gemaakt zijn: grip geven, steun bieden en blessures helpen voorkomen. Een voetballer die met verkeerde schoenen het veld op gaat, merkt dat binnen tien minuten. Wat me misschien nog wel het meest stoort, is dat veel verkopers tegenwoordig het verschil niet eens meer weten tussen pinnen en rubbers. Terwijl dat vroeger basiskennis was. Net zoals het verschil tussen leer en kunststof, tussen een smalle en brede leest, tussen schoenen voor droge velden en natte velden.
Ik herinner me nog goed hoe sommige spelers vroeger hun schoenen uitzochten. Neem bijvoorbeeld Bjarne Jensen, de Deen die destijds bij FC Groningen speelde. Een perfectionist pur sang. Hij kon rustig een uur, of langer, bezig zijn met het passen van schoenen. Voelen, lopen, nog eens proberen. Net zo lang totdat het precies goed zat.
Daar kon ik van genieten. Omdat je wist dat iemand serieus met zijn materiaal bezig was. Natuurlijk had je ook het andere type speler. Die kwam binnen, zei: “Vorige keer had ik maat negen, dus dat zal nu ook wel goed zijn.” Vijf minuten later stond hij weer buiten. Maar zelfs dan zorgde je ervoor dat iemand met een fatsoenlijke schoen de deur uitging. Je stuurde niemand het veld op met rommel.
En dat is precies wat er tegenwoordig wel gebeurt. Spelers , vaak jonge spelers , worden de winkel uitgestuurd met schoenen die vooral mooi zijn, maar weinig met voetbal te maken hebben of kopen ze, hoe dom kan je zijn, vias internet
Veters verdwijnen. Leer wordt vervangen door flinterdunne synthetische lapjes. Zolen worden steeds platter en lichter. Alles moet sneller, hipper en opvallender.
Maar beter? Dat is zeer de vraag.
Soms vraag ik me serieus af welke idioot ooit heeft bedacht dat voetbalschoenen zonder veters een goed idee zijn. Die persoon zou wat mij betreft een enkele reis naar Rottumerplaat mogen krijgen om daar rustig na te denken over zijn bijdrage aan de sport. Voetbal is een contactsport. Je staat op nat gras, in modder, tussen tackles en slidings. Dan heb je schoenen nodig die stevig zijn, die grip geven en die je voeten beschermen. Niet iets dat eruitziet als een pantoffel met plastic puntjes eronder.
Daarom is die stelling van deze week zo belangrijk. Voetbalschoenen zouden aan duidelijke kwaliteitseisen moeten voldoen voordat ze überhaupt verkocht mogen worden. Net zoals bij andere sportmaterialen. Want uiteindelijk gaat het niet om mode. Het gaat om voetbal, om sport wat belangrijker is dan een gekke hype