Vakantiemodus in het jeugdvoetbal: wie traint er nog?
Het was ergens deze week dat ik met een andere voetballiefhebber in gesprek raakte over het jeugdvoetbal. Zo’n gesprek dat begint met een kleine observatie, maar al snel uitgroeit tot een bredere vraag over hoe we het tegenwoordig eigenlijk organiseren. Het onderwerp dat op tafel kwam: trainen tijdens schoolvakanties.

Vroeger was dat eigenlijk heel normaal. Jeugdteams trainden gewoon door, ook in vakantieweken. Natuurlijk waren er altijd kinderen die met hun ouders op vakantie gingen. Dat was toen niet anders dan nu. Maar er waren ook genoeg kinderen die gewoon thuis waren en dolgraag wilden voetballen. En dus stond je er als jeugdtrainer gewoon. Op het veld, met een tas ballen en een training die je met pen en papier had voorbereid.
Dat voorbereiden kostte tijd. Trainers zaten thuis schema’s te maken, oefenvormen te bedenken en probeerden week na week variatie in hun trainingen te brengen. Het was soms puzzelen, maar het hoorde er allemaal bij. En niet onbelangrijk, je wist waar je het over had
Als je dat vergelijkt met nu, dan is de wereld behoorlijk veranderd. Tegenwoordig zijn er talloze digitale platforms waar trainers met één druk op de knop een complete training kunnen oproepen. Inclusief warming-up, partijvormen en een afsluitende spelvorm. Voor veel trainers is dat een uitkomst. Het maakt het makkelijker om een goede training neer te zetten en het verlaagt de drempel om voor een groep te staan.
En eerlijk is eerlijk: dat is ook een prachtige ontwikkeling.
Maar tegelijkertijd roept het bij mij een andere vraag op. Als het organiseren van trainingen tegenwoordig juist makkelijker is geworden, waarom wordt er dan in zoveel weken helemaal niet getraind?
Met twee voetballende kleinzoons in de familie ga je toch eens kijken hoe dat er in de praktijk uitziet. Niet vanuit kritiek, maar uit nieuwsgierigheid. Hoeveel weken trainen jeugdteams tegenwoordig eigenlijk nog?
Ik pakte daarvoor het schooljaar 2025-2026 er eens bij. Heel sportief heb ik daarbij de trainingen die door slecht weer werden afgelast niet eens meegerekend. Alleen de weken waarin sowieso niet wordt getraind.
Wat bleek? Beide ‘mannen’ kwamen uit op twaalf weken zonder training.
Twaalf weken.
Daarvan zijn er tien simpel te verklaren: de schoolvakanties. Herfstvakantie, kerstvakantie, voorjaarsvakantie, meivakantie en natuurlijk de zomervakantie. Daarnaast sluiten veel clubs twee weken vóór de zomervakantie hun deuren al. Velden worden onderhouden, vrijwilligers nemen rust en het seizoen wordt afgesloten. Alles bij elkaar betekent het dat er drie maanden per jaar simpelweg niet wordt getraind. Drie van de twaalf maanden. Dat is een kwart van het jaar.
En dat zette mij toch aan het denken.
Want de reden is meestal dezelfde: “in de vakanties is iedereen toch weg.” Maar klopt dat eigenlijk wel? Gaat echt heel Nederland op vakantie?
Mijn gevoel zegt van niet. Natuurlijk zijn er gezinnen die er meer op uit trekken dan ze van ondergoed wisselen. En dat is prima. Ieder zijn keus en wat hoort bij het leven en bij het gezin. Maar er zijn ook heel veel kinderen die gewoon thuis zijn.
Voor die kinderen is voetbal juist een prachtige invulling van hun week.
Toch lijkt het systeem tegenwoordig anders te werken. Clubs kiezen er vaak voor om trainingen in vakanties simpelweg te schrappen. Dat is overzichtelijker voor de organisatie en voor trainers. Iedereen weet waar hij aan toe is.
Maar daarmee gebeurt er wel iets opvallends. We passen ons aan aan de mensen die weg zijn, terwijl we daarmee de kinderen die wél willen voetballen eigenlijk buitenspel zetten.
Dat klinkt misschien wat zwaar, maar het is wel de realiteit. De kinderen die thuis blijven, die graag hun bal pakken en naar het veld willen, hebben simpelweg geen training.
En dat voelt ergens toch vreemd.
Zeker als je bedenkt dat voetbalclubs juist een sociale ontmoetingsplek zijn. Een plek waar kinderen samen bewegen, plezier maken en zich ontwikkelen. Juist in vakantieweken kan dat extra waardevol zijn. Minder schoolstress, meer tijd en vaak ook een ontspannen sfeer op de club.
Vroeger losten trainers dat heel pragmatisch op. Wie er was, deed mee. Soms stonden er tien kinderen, soms zes. En soms werd er gewoon een groot partijtje gespeeld. Het ging niet altijd om perfecte trainingsopbouw, maar om plezier en beweging.
Misschien zit daar ook wel een stukje nostalgie in, dat geef ik meteen toe.
Maar tegelijkertijd stel ik mezelf de vraag: moeten we het niet weer iets eenvoudiger maken?
Niet elke vakantie hoeft volgepland te worden. Trainers verdienen ook rust en tijd voor hun gezin. Maar misschien kunnen clubs nadenken over alternatieven. Een vrije inlooptraining. Een gezamenlijk partijtje voor meerdere teams. Of een paar vrijwillige trainingen in vakantieweken.
Niet verplicht. Gewoon een mogelijkheid.
Want uiteindelijk draait jeugdvoetbal om kinderen die willen voetballen.
En als er op een woensdagmiddag in de meivakantie tien jongens en meisjes op het veld staan met hun schoenen al aan, dan zou het toch mooi zijn als er iemand is die een paar pionnen neerzet, een bal in het midden legt en zegt:
“Kom jongens, we beginnen.”
Het hoeft niet moeilijk te zijn maar doe wel wat voor de thuisblijvers want ook zij zijn lid