De stelling : Dik winnen of opleiden in de onderbouw

Geschreven door Johan Staal op . Geplaatst in Even na praten

De stelling van deze week van Jan ten Caat luidt: tot en met de O11 moet er bij een ruststand met meer dan vijf doelpunten verschil door de leiders overlegd kunnen worden om de teams te mixen. Een eenvoudige, bijna logische gedachte. Een voorstel dat in één zin de kern raakt van waar jeugdvoetbal om zou moeten draaien: plezier, ontwikkeling en gelijkwaardigheid.



logo


Ik sta voor honderd procent achter deze stelling. En toch geef ik haar een slagingspercentage van min tien. Dat klinkt cynisch, maar wie de afgelopen jaren langs de velden van sportparken heeft gelopen, begrijpt waarom. Voor de winter bezocht ik een aantal sportcomplexen waar jeugdwedstrijden werden gespeeld. Dat was geen gezellig zaterdagochtenduitje; het was eerder een kleine cultuurschok. Zeker als je het vergelijkt met tien jaar geleden.

Officieel zegt de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB) dat winnen in de onderbouw niet belangrijk is. In theorie draait het om ontwikkeling, spelplezier en het opleiden van spelers. Uitslagen en standen worden bij de jongste jeugd niet eens gepubliceerd. Kampioenschappen zouden bijzaak moeten zijn. Maar wie langs de lijn staat, ziet een andere werkelijkheid.

Ik zag wedstrijden waarin jeugdteams compleet werden vermorzeld. Dubbele cijfers op het scorebord nog vóór de limonade. Een stand van 15-0 die werd gevierd alsof er zojuist een Europese beker was binnengesleept. Leiders die juichten bij elke treffer, armen in de lucht, high fives, alsof de finale van de Champions League zojuist was beslist.

Wat gaat er dan mis?

Allereerst de balans. Een concreet voorbeeld: een wedstrijd waarin één speler voor rust negen keer scoorde. Negen keer. Bij een 11-0 ruststand. Dat betekent dat negen andere spelers in feite figuranten waren in hun eigen wedstrijd. Ze renden, ze deden hun best, maar het spel draaide volledig om één uitblinker die vrij baan kreeg om zijn persoonlijke doelpuntentotaal op te krikken. Kinderen van acht, negen of tien jaar die achter elke bal aan hollen en steeds weer werden geconfronteerd met hun onmacht. Geen leermoment meer, geen spanning, geen plezier. Alleen frustratie.

En dan hebben we het nog niet eens over wat dit doet met het bredere beeld van sportiviteit.

De stelling van Jan is in de kern bedoeld om dit soort situaties te voorkomen. Door bij een verschil van meer dan vijf doelpunten in de rust te overleggen en teams te mixen, geef je de wedstrijd een tweede leven. Je creëert nieuwe verhoudingen. Je maakt het weer spannend. Je zorgt ervoor dat álle kinderen betrokken blijven.

Dat is pedagogisch gezien een juiste beslissing.

Toch noem ik het slagingspercentage min tien. Waarom? Omdat het voorstel vrijblijvend is. “Overleggen kunnen” is iets anders dan “verplicht moeten”. Zolang het afhankelijk blijft van de goede wil van leiders en trainers, zal het in veel gevallen niet gebeuren. Want laten we eerlijk zijn: er zijn nog altijd leiders, trainers en zelfs jeugdcommissies die stiekem warm worden van kampioenschappen in de onderbouw. Ook al publiceert de KNVB geen standen, ook al worden er officieel geen titels toegekend, op de achtergrond wordt er gewoon geteld. Er worden lijstjes bijgehouden. Er wordt gesproken over “ongeslagen kampioen”. Over “de beste lichting in jaren”.

En daar hebben we het probleem

Zolang volwassenen hun eigen eer en prestige koppelen aan prestaties van acht- en negenjarigen, blijft het belang van ontwikkeling ondergeschikt aan winnen. Dan blijft een 15-0 overwinning reden voor trots in plaats van reden tot reflectie. Dan blijft een speler die negen keer scoort een held, in plaats van een signaal dat de teams niet in balans zijn. Het mixen van teams bij grote verschillen vraagt namelijk iets fundamenteels: het vraagt om het loslaten van het resultaat. Om het durven zeggen: dit is niet leerzaam meer. Dit is niet leuk meer. We gaan het anders doen.

Dat vergt moed. Zelfinzicht en … het uitleggen aan ouders

In andere sporten is het soms al gebruikelijk om bij grote verschillen in te grijpen. Extra spelers toevoegen aan de zwakkere partij. Sterkste spelers doorschuiven. De spelregels aanpassen. Niet om iemand te straffen, maar om de essentie van sport te beschermen.

Waarom zou dat in het jeugdvoetbal niet kunnen?

Het argument dat “je moet leren verliezen” wordt vaak aangehaald. Natuurlijk moeten kinderen leren omgaan met verlies. Maar er is een wereld van verschil tussen een nipte 4-2 nederlaag en een 15-0 vernedering. Het eerste biedt leermomenten. Het tweede ondermijnt zelfvertrouwen en spelplezier.

Als we echt vinden dat winnen in de onderbouw niet belangrijk is, dan moeten we dat ook durven organiseren. Dan moet de stelling van Jan geen vrijblijvende suggestie zijn, maar een duidelijke richtlijn. Beter nog: een verplichting.

Ja, dat zal weerstand oproepen. Ja, er zullen trainers zijn die vinden dat dit “niet bij voetbal hoort”. Maar de vraag is niet wat bij voetbal hoort. De vraag is wat bij kinderontwikkeling hoort.

Zolang we blijven toestaan dat volwassenen juichen bij 15-0 alsof ze een wereldbeker hebben gewonnen, is elke mooie beleidszin van de KNVB hol. Zolang kampioenschappen in de onderbouw status geven binnen een club, verandert er niets.

De stelling is goed. Sterker nog: ze is noodzakelijk.

Maar zonder verplichting, zonder handhaving en zonder een cultuurverandering langs de lijn, blijft het bij woorden.

En woorden scoren geen doelpunten.

Ze voorkomen ze ook niet.