“Stop met die poppenkast” , over de gekkigheid in het voetbal
“Stop met die poppenkast” – Jan ten Caat over de gekkigheid in het voetbal
Het gesprek met Jan ten Caat begon onschuldig. Over het amateurvoetbal. Maar ineens ging het los. Over knuffelende stafleden, toneelstukjes langs de lijn en de angst dat het amateurvoetbal het betaalde voetbal klakkeloos gaat kopiëren. En dan weet je: dit wordt er eentje.

Jan, je volgt het amateurvoetbal al jaren van dichtbij. Toch begon je deze week ineens over het betaald voetbal. Wat irriteert je zo? „Die totale gekte die daar is binnengeslopen. Alles moet groter, zichtbaarder, belangrijker lijken dan het is. Kijk-ons-eens-een-team-zijn-gedrag. Knuffels, handjes, kringetjes, stafleden die zich belangrijk wanen. Het is één grote poppenkast geworden.”
Je doelt onder andere op het knuffelen na een goal of overwinning?
„Absoluut. Dat hele ritueel van elkaar vastpakken na elk doelpunt. Alsof je zonder dat geen goal kunt vieren. Het is aangeleerd gedrag. Trainers en stafleden die willen laten zien hoe ‘verbonden’ ze zijn. Hou toch op. Het heeft nul meerwaarde.”
Je ziet dat ook terug vóór de wedstrijd?
„Die team-scrum bedoel je? Waar de aanvoerder een paar strijdkreten roept en iedereen doet alsof ze net ten strijde trekken? Ook zoiets. Dat is geen mentaliteit, dat is theater. Je bent een team omdat je samen traint, samen wint en samen verliest. Niet omdat je elkaar twintig seconden vastpakt.”
Handjes schudden bij een wissel, daar heb je ook een uitgesproken mening over.
„Dat is misschien nog wel de grootste komedie. Negentig procent van de spelers die gewisseld worden, wil die trainer op dat moment figuurlijk wel vermoorden. En dan moet hij zogenaamd netjes langs een hele bank met stafleden om te horen hoe ‘goed’ hij gespeeld heeft. Dat is toch niet serieus te nemen?”
Wat zou er dan moeten gebeuren?
„Gewisseld is gewisseld. Direct naar de kleedkamer. Afkoelen, douchen, klaar. Veel hygiënischer ook. Die verplichting om toneel te spelen, daar wordt niemand beter van.”
Je haalde deze week ook trainers aan die na afloop op het veld gaan napraten.
„Ja, daar lach je je toch slap om. Ik zag het laatst weer gebeuren. Trainer verliest, roept zijn ploeg bij elkaar op het veld en gaat een soort mini-bijeenkomst houden. Dat is puur voor de bühne. Kijk ons eens professioneel bezig zijn.”
Je noemde zelfs Feyenoord en Brian Priske.
„Klopt. Dat begon dat die damesvoetbalachtige gekkigheid, sorry dat ik het zo zeg. Maar het is gewoon zo. En dan zijn er altijd mafketels die dat klakkeloos overnemen. Eerst in het betaald voetbal, daarna sijpelt het door.”
En daar zit je grootste zorg?
„Exact. Dat dit straks het amateurvoetbal binnendringt. En geloof me: dat gaat gebeuren. Trainertjes zonder opleiding, jeugdtrainers die denken ‘dat hoort zo tegenwoordig’. En voor je het weet staat er bij JO13 een hele staf in korte broek elkaar te knuffelen.”
Je gebruikt vaak het woord ‘korte broek’ als het over stafleden gaat.
„Ja, omdat ze zichzelf zo serieus nemen. Altijd in korte broek, want dat staat stoer. Alsof je daardoor ineens belangrijker bent. Er hangen tegenwoordig dertig man rond een team. En allemaal willen ze laten zien dat ze iets toevoegen.”
Neem ons eens mee naar jouw grootste ergernis: de warming-up in de rust.
„Dat is met stip nummer één. Volkomen belachelijk. Spelers komen net uit de kleedkamer, hebben rust gehad, en dan moeten ze weer gaan sprinten omdat een of andere staflid dat heeft bedacht. Volslagen onzin.”
Waar komt dat vandaan, denk je?
„Van mensen die relevant willen zijn. Die móéten iets doen om hun bestaansrecht te tonen. Net als dat uitlopen van wisselspelers na afloop. ‘Nog even rondjes, jongens!’ Op commando van zo’n korte broek. Gekker wordt het niet.”
Maar het moderne voetbal is toch professioneler geworden?
„Professioneler, ja. Maar niet per se beter. We slaan door. Cruijff, Van Hanegem, Van Basten, die zaten in de rust een peukie te roken. En geloof me: die hadden geen extra warming-up nodig om te presteren.”
Je maakt nu een vergelijking die sommigen niet meer durven te maken.
„Omdat we bang zijn geworden. Bang om kritisch te zijn. Bang om te zeggen: dit is onzin. Maar die mannen hebben prijzen gewonnen, historie geschreven. Zonder dat hele circus eromheen.”
Je klinkt bijna bezorgd.
„Dat ben ik ook. Vooral voor de jeugd. Als dit overgenomen wordt, krijgen we een generatie spelers die denkt dat voetbal draait om randzaken. Terwijl het gaat om techniek, inzicht, plezier en karakter.”
Wat zou je trainers in het amateurvoetbal willen meegeven?
„Blijf bij jezelf. Kopieer niet alles wat je op tv ziet. Gebruik je gezond verstand. Je hoeft geen scrum, geen knuffelpartij en geen staf van tien man om een goede trainer te zijn.”
Tot slot: zie je nog hoop?
„Altijd. Het amateurvoetbal is nog puur. Maar we moeten wel oppassen. Want als deze onzin eenmaal binnen is, krijg je het er moeilijk weer uit.”
Het gesprek eindigt zoals het begon: met liefde voor het spel. Maar ook met een waarschuwing. Want voetbal, zo vindt Jan ten Caat, moet geen toneelstuk worden. Het is al mooi genoeg zoals het is.
Het gesprek met Jan ten Caat begon onschuldig. Over het amateurvoetbal. Maar ineens ging het los. Over knuffelende stafleden, toneelstukjes langs de lijn en de angst dat het amateurvoetbal het betaalde voetbal klakkeloos gaat kopiëren. En dan weet je: dit wordt er eentje.

Jan, je volgt het amateurvoetbal al jaren van dichtbij. Toch begon je deze week ineens over het betaald voetbal. Wat irriteert je zo? „Die totale gekte die daar is binnengeslopen. Alles moet groter, zichtbaarder, belangrijker lijken dan het is. Kijk-ons-eens-een-team-zijn-gedrag. Knuffels, handjes, kringetjes, stafleden die zich belangrijk wanen. Het is één grote poppenkast geworden.”
Je doelt onder andere op het knuffelen na een goal of overwinning?
„Absoluut. Dat hele ritueel van elkaar vastpakken na elk doelpunt. Alsof je zonder dat geen goal kunt vieren. Het is aangeleerd gedrag. Trainers en stafleden die willen laten zien hoe ‘verbonden’ ze zijn. Hou toch op. Het heeft nul meerwaarde.”
Je ziet dat ook terug vóór de wedstrijd?
„Die team-scrum bedoel je? Waar de aanvoerder een paar strijdkreten roept en iedereen doet alsof ze net ten strijde trekken? Ook zoiets. Dat is geen mentaliteit, dat is theater. Je bent een team omdat je samen traint, samen wint en samen verliest. Niet omdat je elkaar twintig seconden vastpakt.”
Handjes schudden bij een wissel, daar heb je ook een uitgesproken mening over.
„Dat is misschien nog wel de grootste komedie. Negentig procent van de spelers die gewisseld worden, wil die trainer op dat moment figuurlijk wel vermoorden. En dan moet hij zogenaamd netjes langs een hele bank met stafleden om te horen hoe ‘goed’ hij gespeeld heeft. Dat is toch niet serieus te nemen?”
Wat zou er dan moeten gebeuren?
„Gewisseld is gewisseld. Direct naar de kleedkamer. Afkoelen, douchen, klaar. Veel hygiënischer ook. Die verplichting om toneel te spelen, daar wordt niemand beter van.”
Je haalde deze week ook trainers aan die na afloop op het veld gaan napraten.
„Ja, daar lach je je toch slap om. Ik zag het laatst weer gebeuren. Trainer verliest, roept zijn ploeg bij elkaar op het veld en gaat een soort mini-bijeenkomst houden. Dat is puur voor de bühne. Kijk ons eens professioneel bezig zijn.”
Je noemde zelfs Feyenoord en Brian Priske.
„Klopt. Dat begon dat die damesvoetbalachtige gekkigheid, sorry dat ik het zo zeg. Maar het is gewoon zo. En dan zijn er altijd mafketels die dat klakkeloos overnemen. Eerst in het betaald voetbal, daarna sijpelt het door.”
En daar zit je grootste zorg?
„Exact. Dat dit straks het amateurvoetbal binnendringt. En geloof me: dat gaat gebeuren. Trainertjes zonder opleiding, jeugdtrainers die denken ‘dat hoort zo tegenwoordig’. En voor je het weet staat er bij JO13 een hele staf in korte broek elkaar te knuffelen.”
Je gebruikt vaak het woord ‘korte broek’ als het over stafleden gaat.
„Ja, omdat ze zichzelf zo serieus nemen. Altijd in korte broek, want dat staat stoer. Alsof je daardoor ineens belangrijker bent. Er hangen tegenwoordig dertig man rond een team. En allemaal willen ze laten zien dat ze iets toevoegen.”
Neem ons eens mee naar jouw grootste ergernis: de warming-up in de rust.
„Dat is met stip nummer één. Volkomen belachelijk. Spelers komen net uit de kleedkamer, hebben rust gehad, en dan moeten ze weer gaan sprinten omdat een of andere staflid dat heeft bedacht. Volslagen onzin.”
Waar komt dat vandaan, denk je?
„Van mensen die relevant willen zijn. Die móéten iets doen om hun bestaansrecht te tonen. Net als dat uitlopen van wisselspelers na afloop. ‘Nog even rondjes, jongens!’ Op commando van zo’n korte broek. Gekker wordt het niet.”
Maar het moderne voetbal is toch professioneler geworden?
„Professioneler, ja. Maar niet per se beter. We slaan door. Cruijff, Van Hanegem, Van Basten, die zaten in de rust een peukie te roken. En geloof me: die hadden geen extra warming-up nodig om te presteren.”
Je maakt nu een vergelijking die sommigen niet meer durven te maken.
„Omdat we bang zijn geworden. Bang om kritisch te zijn. Bang om te zeggen: dit is onzin. Maar die mannen hebben prijzen gewonnen, historie geschreven. Zonder dat hele circus eromheen.”
Je klinkt bijna bezorgd.
„Dat ben ik ook. Vooral voor de jeugd. Als dit overgenomen wordt, krijgen we een generatie spelers die denkt dat voetbal draait om randzaken. Terwijl het gaat om techniek, inzicht, plezier en karakter.”
Wat zou je trainers in het amateurvoetbal willen meegeven?
„Blijf bij jezelf. Kopieer niet alles wat je op tv ziet. Gebruik je gezond verstand. Je hoeft geen scrum, geen knuffelpartij en geen staf van tien man om een goede trainer te zijn.”
Tot slot: zie je nog hoop?
„Altijd. Het amateurvoetbal is nog puur. Maar we moeten wel oppassen. Want als deze onzin eenmaal binnen is, krijg je het er moeilijk weer uit.”
Het gesprek eindigt zoals het begon: met liefde voor het spel. Maar ook met een waarschuwing. Want voetbal, zo vindt Jan ten Caat, moet geen toneelstuk worden. Het is al mooi genoeg zoals het is.