DE SPELER DIE ER ZATERDAG MISSCHIEN NIET IS…
DE SPELER DIE ER ZATERDAG MISSCHIEN NIET IS…
Een prachtige column van Jules Panenka met alleen maar waarheden.
Er was een tijd waarin een trainer op donderdagavond zijn ploeg voor zaterdag bekendmaakte. Dat was een betrekkelijk eenvoudige bezigheid. Hij had achttien spelers, selecteerde er elf, zette er vier op de bank en maakte vervolgens drie dagen ruzie met de vijfde reserve, die vond dat hij op training toch duidelijk beter was geweest dan Roger.

Vandaag maakt een trainer geen selectie meer. Hij maakt een risicoanalyse want een ploeg samenstellen is tegenwoordig een bezigheid waarvoor je eigenlijk een diploma crisismanagement, een grondige kennis van de menselijke psychologie en bij voorkeur ook enige ervaring bij de luchtverkeersleiding nodig hebt.
Wie is er op vakantie? Wie moet naar een trouwfeest? Wie heeft zaterdagavond een festival? Wie heeft zaterdagmiddag een brunch die blijkbaar onmogelijk op één van de andere 364 dagen van het jaar georganiseerd kon worden? Wie moet studeren? Wie heeft last van de hamstrings? Wie moet werken? Wie heeft in een onoplettend moment beloofd om zaterdag met zijn vriendin naar de IKEA te gaan en beseft pas op vrijdagavond tegen wil en dank dat relaties doorgaans belangrijker zijn dan drie punten tegen een club waarvan niemand precies weet waar het ligt? En vooral: wie heeft nog niet geantwoord in de WhatsApp-groep? Die laatste categorie is meestal de gevaarlijkste.
Want niets vat het moderne amateurvoetbal beter samen dan een trainer die op vrijdagavond om 22u47 voor de zesde keer naar zijn telefoon kijkt en onder zijn eigen bericht van dinsdag nog altijd drie grijze vinkjes ziet staan bij spelers van wie hij nochtans via Instagram weet dat ze diezelfde middag een broodje op het terras bij Werkman hebben gegeten in Groningen. Vervolgens naar de fitness zijn geweest en 's avonds uitgebreid hebben gedocumenteerd hoe ze met hun vrienden een terrasje deden. Een bijzonder drukke dag dus. Begrijpelijk dat er geen tijd overbleef om even op 'aanwezig' te drukken.
Welkom in het provinciale voetbal anno nu. We hebben spelers. Veel spelers zelfs. We weten alleen nooit precies wanneer. Dat klinkt misschien als gezeur van oudere mensen die vinden dat vroeger alles beter was. Dat was het uiteraard niet. Vroeger rookte de rechtsback tijdens de rust een sigaret, dronk de voorzitter al vijf jenevers vóór de aftrap en werd een hersenschudding behandeld door een natte spons tegen het hoofd te gooien en te vragen of de speler nog wist welke dag het was. Als hij “zaterdag” antwoordde, mocht hij verder. Vooruitgang bestaat dus wel degelijk. Maar ergens onderweg is er iets veranderd in onze verhouding tot engagement.
Voetbal is voor steeds meer mensen iets geworden wat moet passen tussen alle andere dingen in het leven. En dat is op zichzelf begrijpelijk. Niemand hoeft zijn huwelijk op te geven omdat de trainer vindt dat je dinsdag aanwezig moet zijn op de tactische training. Niemand moet de geboorte van zijn eerste kind uitstellen omdat er zaterdag een zespuntenmatch op het programma staat.
We spreken nog altijd over amateurvoetbal. Alleen lijkt “amateur” tegenwoordig soms vertaald te worden als “vrijblijvend”. En dat is iets anders.
Een teamsport is namelijk gebaseerd op een merkwaardig en tegenwoordig bijna revolutionair principe: dat andere mensen op jou rekenen. Dat klinkt eenvoudig. Het is het niet. Want we leven steeds meer in een wereld waarin alles beschikbaar is wanneer wij dat willen. Een film bekijken we wanneer het ons uitkomt. Eten laten we brengen wanneer we honger hebben. Muziek luisteren we zonder te wachten tot de radio eindelijk dat ene nummer draait. Een vakantie boeken we op woensdagavond omdat Ryanair toevallig heeft beslist dat een weekendje Alicante goedkoper is dan een avond op café.
Maar voetbal weigert zich daaraan aan te passen. Een wedstrijd begint zaterdag om drie uur. Niet wanneer jij er klaar voor bent. Er staan tien teamgenoten naast je die ervan uitgaan dat jij er ook zult staan. En daar begint het probleem. Clubs hebben zich de afgelopen jaren namelijk steeds meer aangepast aan spelers, terwijl spelers zich steeds minder lijken aan te passen aan clubs.
We trainen later omdat iemand moet werken. We trainen vroeger omdat iemand nachtdienst heeft. We verplaatsen oefenwedstrijden. We zoeken extra spelers omdat er zeven op reis zijn. We maken grotere kernen omdat we weten dat tijdens krokusvakanties, paasvakanties, herfstvakanties, kerstvakanties, skivakanties en verlengde weekends ongeveer de helft van het elftal ergens tussen Barcelona en de Oostenrijkse Alpen zit. Binnenkort heeft een provinciale ploeg 34 spelers nodig om op zaterdag met elf te kunnen beginnen. En zelfs dan belt de trainer vrijdagavond nog iemand van de veteranen.
Maar het probleem zit dieper dan aanwezigheid alleen.
Vraag eens aan een provinciale club wie er helpt op de jaarlijkse feestavond. Dan valt er doorgaans een stilte die je normaal alleen hoort wanneer iemand op een familiefeest vraagt wie er zatte Rita heeft uitgenodigd. Iedereen vindt de club belangrijk. Tot er stoelen en tafels moeten worden klaargezet… Iedereen vindt dat de club meer sponsors moet zoeken. Tot er gevraagd wordt om prijzen op te halen… Iedereen vindt dat de kantine beter georganiseerd moet worden. Tot er iemand achter de bar moet staan... Iedereen vindt dat spelers correct betaald moeten worden. Maar wanneer diezelfde club een feestavond organiseert om precies dat geld bijeen te krijgen, blijken sommige spelers plots een agenda te hebben waar zelfs de eerste minister jaloers op zou zijn of lijkt het dat er gevraagd wordt om eigenhandig de A28 opnieuw te asfalteren. Dat is vreemd.
Want ergens is het idee ontstaan dat een voetbalclub een dienstverlener is. De club zorgt voor een veld. Een trainer. Ballen. Kledij. Verzekering. Scheidsrechter. Kleedkamers. Warm water, als de boiler zin heeft. Een drankje na de wedstrijd. Soms een premie.
En de speler? Die voetbalt.
Dat lijkt een eerlijke overeenkomst, behalve dat ze economisch ongeveer even duurzaam is als een frituur waar iedereen gratis frieten krijgt en alleen de uitbater geacht wordt de aardappelen te betalen. Een amateurclub draait namelijk niet op voetbal. Ze draait op mensen. Op die ene vrouw die al twaalf jaar hamburgers bakt tijdens het jeugdtornooi en waarvan ongeveer zestig procent van de aanwezige jeugdspelers niet eens weet hoe ze heet. Op die man die iedere zaterdag de lijnen trekt en daardoor thuis al jaren de reputatie heeft dat hij “even naar de voetbal” gaat, terwijl iedereen weet dat “even” in clubtaal ergens tussen drie kwartier en een halve dag betekent. Op ouders die rijden. Op trainers die bellen. Op mensen die affiches maken. Op iemand die om elf uur 's avonds nog een verstopte afvoer in kleedkamer twee probeert vrij te maken omdat er morgenvroeg JO9 speelt. En meestal zijn het steeds dezelfde mensen. Dat is misschien wel het grootste gevaar voor het provinciale voetbal. Niet dat niemand nog iets wil doen. Maar dat steeds minder mensen steeds meer moeten doen. Tot ze stoppen. Niet met grote woorden. Niet met slaande deuren. Ze stoppen gewoon.
Eerst komen ze een kwartier later. Dan slaan ze eens een vergadering over. Dan zeggen ze: “Deze keer moeten ze het zelf maar oplossen.” En zes maanden later vraagt iemand in de bestuursgroep: “Heeft iemand eigenlijk nog iets van Marc gehoord?” Marc heeft dan waarschijnlijk padel ontdekt. Geef hem eens ongelijk.
We praten veel over spelers die vertrekken, maar te weinig over vrijwilligers die verdwijnen. Een spits kun je vervangen. Misschien scoort de nieuwe zelfs meer. Maar probeer maar eens iemand te vinden die vrijwillig op zaterdagochtend om acht uur ’s ochtends de koffiezet aanzet omdat de O7 om negen uur speelt.
Daar bestaan geen transferlijsten voor. Geen makelaars. Geen YouTube-compilaties.
Nog nooit heeft iemand een vrijwilliger voorgesteld met de woorden: “Sterke kantinemedewerker, tweevoetig, polyvalent inzetbaar en transfervrij.” Nochtans zou iedere provinciale club hem onmiddellijk tekenen. Voor vijf jaar. Met optie. Misschien moeten we daarom opnieuw uitleggen wat lid zijn van een club eigenlijk betekent. Niet: ik betaal lidgeld en dus moet de club mij gelukkig maken. Niet: ik krijg een premie en dus kom ik voetballen. Niet: mijn zoon speelt hier en dus verwacht ik dat de trainer hem iedere week minstens zeventig minuten opstelt omdat hij volgens opa duidelijk talent heeft.
Een club is geen abonnement. Een club is een afspraak. Je krijgt iets. En je geeft iets terug. Voor de ene is dat twee trainingen en een wedstrijd per week. Voor een andere is dat één keer per maand achter de bar staan. Iemand anders verkoopt wafels, zoekt sponsors, wast truitjes, rijdt met jeugdspelers of komt op een regenachtige woensdagavond een kapot reclamebord opnieuw vastschroeven.
Het hoeft niet veel te zijn. Als het maar van velen komt. Want dat is uiteindelijk het bizarre aan een voetbalclub: niemand kan ze alleen dragen, zelfs niet die voorzitter die dat zelf ondertussen wel begint te geloven. Je kunt duizenden euro's investeren. Een kunstgrasveld leggen. Mooie kleedkamers bouwen. Nieuwe tenues kopen en op sociale media filmpjes maken alsof je zaterdag niet tegen het 7e elftal speelt van een club die je niet kent, maar tegen Real Madrid speelt. Maar wanneer niemand de deuren opent, gebeurt er niets.
Misschien is dát wel de strijd die het lokale voetbal de komende jaren moet voeren. Niet tegen padel. Niet tegen PlayStation. Niet tegen citytrips. Zelfs niet tegen spelersmakelaars die voor een linksback uit Derde Provinciale onderhandelen alsof Manchester City ieder moment kan bellen. Maar tegen de gedachte dat engagement alleen geldt zolang het ons goed uitkomt Een teamsport vraagt soms dat je ergens bent terwijl je liever ergens anders zou zijn. Een club vraagt soms dat je helpt met iets waar je eigenlijk geen zin in hebt.
Een vereniging vraagt soms dat je iets doet waarvoor niemand je betaalt, niemand applaudisseert en niemand achteraf een Instagramstory plaatst met de tekst “Respect”.
Dat heette vroeger gewoon helpen. Misschien moeten we dat woord opnieuw wat vaker gebruiken, want binnenkort begint opnieuw een voetbalweekend en overal in Groningen zullen trainers puzzelen met hun selectie. Bestuursleden zullen tafels klaarzetten. Afgevaardigden zullen waterzakken vullen. Vrijwilligers zullen koffie zetten. Ouders zullen rijden. Iemand zal ontdekken dat er geen vuilniszakken meer zijn. Iemand anders zal zeggen dat hij die vorige week nog gekocht heeft. En ergens zal een speler om 13.37 uur een bericht sturen: “Trainer, kleine kans dat ik vandaag iets later ben.” De aftrap is om drie uur, hij woont twaalf minuten van het veld. Niemand weet waar hij is. Maar om 14.51 uur komt hij de parking opgereden. Hij stapt uit, voetbaltas over de schouder. Alsof er niets aan de hand is. En vreemd genoeg zijn we blij dat hij er is. Want zo zijn voetbalclubs. Ze vloeken op je wanneer je er niet bent. Ze schelden op je wanneer je te laat bent. Maar zodra je door die deur komt, hoor je er weer bij. Alleen zou het fijn zijn als we met z'n allen opnieuw begrijpen dat ergens bij horen ook betekent dat er af en toe op jou gerekend mag worden. Want elf spelers maken een ploeg. Maar honderd mensen maken een vereniging. En wanneer die honderd allemaal beginnen te denken dat iemand anders het wel zal doen, staan er op een dag enkel nog maar elf spelers op het veld.
Zonder trainer,Zonder lijnen.Zonder kantine.,Zonder club.
Maar gelukkig wel allemaal perfect op tijd, want er valt die zaterdag toch niets anders meer te doen.
Jules Panenka — verhalen van langs de zijlijn
Een prachtige column van Jules Panenka met alleen maar waarheden.
Er was een tijd waarin een trainer op donderdagavond zijn ploeg voor zaterdag bekendmaakte. Dat was een betrekkelijk eenvoudige bezigheid. Hij had achttien spelers, selecteerde er elf, zette er vier op de bank en maakte vervolgens drie dagen ruzie met de vijfde reserve, die vond dat hij op training toch duidelijk beter was geweest dan Roger.

Vandaag maakt een trainer geen selectie meer. Hij maakt een risicoanalyse want een ploeg samenstellen is tegenwoordig een bezigheid waarvoor je eigenlijk een diploma crisismanagement, een grondige kennis van de menselijke psychologie en bij voorkeur ook enige ervaring bij de luchtverkeersleiding nodig hebt.
Wie is er op vakantie? Wie moet naar een trouwfeest? Wie heeft zaterdagavond een festival? Wie heeft zaterdagmiddag een brunch die blijkbaar onmogelijk op één van de andere 364 dagen van het jaar georganiseerd kon worden? Wie moet studeren? Wie heeft last van de hamstrings? Wie moet werken? Wie heeft in een onoplettend moment beloofd om zaterdag met zijn vriendin naar de IKEA te gaan en beseft pas op vrijdagavond tegen wil en dank dat relaties doorgaans belangrijker zijn dan drie punten tegen een club waarvan niemand precies weet waar het ligt? En vooral: wie heeft nog niet geantwoord in de WhatsApp-groep? Die laatste categorie is meestal de gevaarlijkste.
Want niets vat het moderne amateurvoetbal beter samen dan een trainer die op vrijdagavond om 22u47 voor de zesde keer naar zijn telefoon kijkt en onder zijn eigen bericht van dinsdag nog altijd drie grijze vinkjes ziet staan bij spelers van wie hij nochtans via Instagram weet dat ze diezelfde middag een broodje op het terras bij Werkman hebben gegeten in Groningen. Vervolgens naar de fitness zijn geweest en 's avonds uitgebreid hebben gedocumenteerd hoe ze met hun vrienden een terrasje deden. Een bijzonder drukke dag dus. Begrijpelijk dat er geen tijd overbleef om even op 'aanwezig' te drukken.
Welkom in het provinciale voetbal anno nu. We hebben spelers. Veel spelers zelfs. We weten alleen nooit precies wanneer. Dat klinkt misschien als gezeur van oudere mensen die vinden dat vroeger alles beter was. Dat was het uiteraard niet. Vroeger rookte de rechtsback tijdens de rust een sigaret, dronk de voorzitter al vijf jenevers vóór de aftrap en werd een hersenschudding behandeld door een natte spons tegen het hoofd te gooien en te vragen of de speler nog wist welke dag het was. Als hij “zaterdag” antwoordde, mocht hij verder. Vooruitgang bestaat dus wel degelijk. Maar ergens onderweg is er iets veranderd in onze verhouding tot engagement.
Voetbal is voor steeds meer mensen iets geworden wat moet passen tussen alle andere dingen in het leven. En dat is op zichzelf begrijpelijk. Niemand hoeft zijn huwelijk op te geven omdat de trainer vindt dat je dinsdag aanwezig moet zijn op de tactische training. Niemand moet de geboorte van zijn eerste kind uitstellen omdat er zaterdag een zespuntenmatch op het programma staat.
We spreken nog altijd over amateurvoetbal. Alleen lijkt “amateur” tegenwoordig soms vertaald te worden als “vrijblijvend”. En dat is iets anders.
Een teamsport is namelijk gebaseerd op een merkwaardig en tegenwoordig bijna revolutionair principe: dat andere mensen op jou rekenen. Dat klinkt eenvoudig. Het is het niet. Want we leven steeds meer in een wereld waarin alles beschikbaar is wanneer wij dat willen. Een film bekijken we wanneer het ons uitkomt. Eten laten we brengen wanneer we honger hebben. Muziek luisteren we zonder te wachten tot de radio eindelijk dat ene nummer draait. Een vakantie boeken we op woensdagavond omdat Ryanair toevallig heeft beslist dat een weekendje Alicante goedkoper is dan een avond op café.
Maar voetbal weigert zich daaraan aan te passen. Een wedstrijd begint zaterdag om drie uur. Niet wanneer jij er klaar voor bent. Er staan tien teamgenoten naast je die ervan uitgaan dat jij er ook zult staan. En daar begint het probleem. Clubs hebben zich de afgelopen jaren namelijk steeds meer aangepast aan spelers, terwijl spelers zich steeds minder lijken aan te passen aan clubs.
We trainen later omdat iemand moet werken. We trainen vroeger omdat iemand nachtdienst heeft. We verplaatsen oefenwedstrijden. We zoeken extra spelers omdat er zeven op reis zijn. We maken grotere kernen omdat we weten dat tijdens krokusvakanties, paasvakanties, herfstvakanties, kerstvakanties, skivakanties en verlengde weekends ongeveer de helft van het elftal ergens tussen Barcelona en de Oostenrijkse Alpen zit. Binnenkort heeft een provinciale ploeg 34 spelers nodig om op zaterdag met elf te kunnen beginnen. En zelfs dan belt de trainer vrijdagavond nog iemand van de veteranen.
Maar het probleem zit dieper dan aanwezigheid alleen.
Vraag eens aan een provinciale club wie er helpt op de jaarlijkse feestavond. Dan valt er doorgaans een stilte die je normaal alleen hoort wanneer iemand op een familiefeest vraagt wie er zatte Rita heeft uitgenodigd. Iedereen vindt de club belangrijk. Tot er stoelen en tafels moeten worden klaargezet… Iedereen vindt dat de club meer sponsors moet zoeken. Tot er gevraagd wordt om prijzen op te halen… Iedereen vindt dat de kantine beter georganiseerd moet worden. Tot er iemand achter de bar moet staan... Iedereen vindt dat spelers correct betaald moeten worden. Maar wanneer diezelfde club een feestavond organiseert om precies dat geld bijeen te krijgen, blijken sommige spelers plots een agenda te hebben waar zelfs de eerste minister jaloers op zou zijn of lijkt het dat er gevraagd wordt om eigenhandig de A28 opnieuw te asfalteren. Dat is vreemd.
Want ergens is het idee ontstaan dat een voetbalclub een dienstverlener is. De club zorgt voor een veld. Een trainer. Ballen. Kledij. Verzekering. Scheidsrechter. Kleedkamers. Warm water, als de boiler zin heeft. Een drankje na de wedstrijd. Soms een premie.
En de speler? Die voetbalt.
Dat lijkt een eerlijke overeenkomst, behalve dat ze economisch ongeveer even duurzaam is als een frituur waar iedereen gratis frieten krijgt en alleen de uitbater geacht wordt de aardappelen te betalen. Een amateurclub draait namelijk niet op voetbal. Ze draait op mensen. Op die ene vrouw die al twaalf jaar hamburgers bakt tijdens het jeugdtornooi en waarvan ongeveer zestig procent van de aanwezige jeugdspelers niet eens weet hoe ze heet. Op die man die iedere zaterdag de lijnen trekt en daardoor thuis al jaren de reputatie heeft dat hij “even naar de voetbal” gaat, terwijl iedereen weet dat “even” in clubtaal ergens tussen drie kwartier en een halve dag betekent. Op ouders die rijden. Op trainers die bellen. Op mensen die affiches maken. Op iemand die om elf uur 's avonds nog een verstopte afvoer in kleedkamer twee probeert vrij te maken omdat er morgenvroeg JO9 speelt. En meestal zijn het steeds dezelfde mensen. Dat is misschien wel het grootste gevaar voor het provinciale voetbal. Niet dat niemand nog iets wil doen. Maar dat steeds minder mensen steeds meer moeten doen. Tot ze stoppen. Niet met grote woorden. Niet met slaande deuren. Ze stoppen gewoon.
Eerst komen ze een kwartier later. Dan slaan ze eens een vergadering over. Dan zeggen ze: “Deze keer moeten ze het zelf maar oplossen.” En zes maanden later vraagt iemand in de bestuursgroep: “Heeft iemand eigenlijk nog iets van Marc gehoord?” Marc heeft dan waarschijnlijk padel ontdekt. Geef hem eens ongelijk.
We praten veel over spelers die vertrekken, maar te weinig over vrijwilligers die verdwijnen. Een spits kun je vervangen. Misschien scoort de nieuwe zelfs meer. Maar probeer maar eens iemand te vinden die vrijwillig op zaterdagochtend om acht uur ’s ochtends de koffiezet aanzet omdat de O7 om negen uur speelt.
Daar bestaan geen transferlijsten voor. Geen makelaars. Geen YouTube-compilaties.
Nog nooit heeft iemand een vrijwilliger voorgesteld met de woorden: “Sterke kantinemedewerker, tweevoetig, polyvalent inzetbaar en transfervrij.” Nochtans zou iedere provinciale club hem onmiddellijk tekenen. Voor vijf jaar. Met optie. Misschien moeten we daarom opnieuw uitleggen wat lid zijn van een club eigenlijk betekent. Niet: ik betaal lidgeld en dus moet de club mij gelukkig maken. Niet: ik krijg een premie en dus kom ik voetballen. Niet: mijn zoon speelt hier en dus verwacht ik dat de trainer hem iedere week minstens zeventig minuten opstelt omdat hij volgens opa duidelijk talent heeft.
Een club is geen abonnement. Een club is een afspraak. Je krijgt iets. En je geeft iets terug. Voor de ene is dat twee trainingen en een wedstrijd per week. Voor een andere is dat één keer per maand achter de bar staan. Iemand anders verkoopt wafels, zoekt sponsors, wast truitjes, rijdt met jeugdspelers of komt op een regenachtige woensdagavond een kapot reclamebord opnieuw vastschroeven.
Het hoeft niet veel te zijn. Als het maar van velen komt. Want dat is uiteindelijk het bizarre aan een voetbalclub: niemand kan ze alleen dragen, zelfs niet die voorzitter die dat zelf ondertussen wel begint te geloven. Je kunt duizenden euro's investeren. Een kunstgrasveld leggen. Mooie kleedkamers bouwen. Nieuwe tenues kopen en op sociale media filmpjes maken alsof je zaterdag niet tegen het 7e elftal speelt van een club die je niet kent, maar tegen Real Madrid speelt. Maar wanneer niemand de deuren opent, gebeurt er niets.
Misschien is dát wel de strijd die het lokale voetbal de komende jaren moet voeren. Niet tegen padel. Niet tegen PlayStation. Niet tegen citytrips. Zelfs niet tegen spelersmakelaars die voor een linksback uit Derde Provinciale onderhandelen alsof Manchester City ieder moment kan bellen. Maar tegen de gedachte dat engagement alleen geldt zolang het ons goed uitkomt Een teamsport vraagt soms dat je ergens bent terwijl je liever ergens anders zou zijn. Een club vraagt soms dat je helpt met iets waar je eigenlijk geen zin in hebt.
Een vereniging vraagt soms dat je iets doet waarvoor niemand je betaalt, niemand applaudisseert en niemand achteraf een Instagramstory plaatst met de tekst “Respect”.
Dat heette vroeger gewoon helpen. Misschien moeten we dat woord opnieuw wat vaker gebruiken, want binnenkort begint opnieuw een voetbalweekend en overal in Groningen zullen trainers puzzelen met hun selectie. Bestuursleden zullen tafels klaarzetten. Afgevaardigden zullen waterzakken vullen. Vrijwilligers zullen koffie zetten. Ouders zullen rijden. Iemand zal ontdekken dat er geen vuilniszakken meer zijn. Iemand anders zal zeggen dat hij die vorige week nog gekocht heeft. En ergens zal een speler om 13.37 uur een bericht sturen: “Trainer, kleine kans dat ik vandaag iets later ben.” De aftrap is om drie uur, hij woont twaalf minuten van het veld. Niemand weet waar hij is. Maar om 14.51 uur komt hij de parking opgereden. Hij stapt uit, voetbaltas over de schouder. Alsof er niets aan de hand is. En vreemd genoeg zijn we blij dat hij er is. Want zo zijn voetbalclubs. Ze vloeken op je wanneer je er niet bent. Ze schelden op je wanneer je te laat bent. Maar zodra je door die deur komt, hoor je er weer bij. Alleen zou het fijn zijn als we met z'n allen opnieuw begrijpen dat ergens bij horen ook betekent dat er af en toe op jou gerekend mag worden. Want elf spelers maken een ploeg. Maar honderd mensen maken een vereniging. En wanneer die honderd allemaal beginnen te denken dat iemand anders het wel zal doen, staan er op een dag enkel nog maar elf spelers op het veld.
Zonder trainer,Zonder lijnen.Zonder kantine.,Zonder club.
Maar gelukkig wel allemaal perfect op tijd, want er valt die zaterdag toch niets anders meer te doen.
Jules Panenka — verhalen van langs de zijlijn