Nederlandse sportjournalistiek: wat een triestigheid
Gisteren, woensdag 23 september, werd mijn aandacht op X getrokken door een mini-oorlogje binnen het wereldje van de Nederlandse sportjournalistiek. Maarten Wijffels, werkzaam bij het AD, had hcommentaar op zijn collega’s Martijn Krabbendam van Voetbal International en Valentijn Driessen van De Telegraaf. Ik heb het met stijgende verbazing zitten bekijken.

Niet omdat journalisten elkaar nooit mogen bekritiseren. Integendeel. Een journalist die zijn collega niet kritisch durft te benaderen is eerder onderdeel van een gezelligheidsvereniging dan van een beroepsgroep die zichzelf serieus neemt. Maar wat zich op X afspeelde, had weinig met journalistieke scherpte te maken. Het had vooral iets kleins. Iets kinderachtigs. Een mini-oorlogje tussen mannen die al decennialang rond dezelfde voetbalvelden lopen, dezelfde perszalen bezoeken en bij dezelfde wedstrijden op de beste stoelen zitten. En dan denk ik: hoe klein kun je worden?
Wijffels is overigens bepaald niet mijn favoriete sportjournalist. Hij was, samen met Eus, ooit een belangrijke reden voor mij om mijn abonnement op het AD de deur uit te doen. Dat voortdurende commentaar, dat betweterige toontje en vooral de indruk dat sommige journalisten zichzelf belangrijker zijn gaan vinden dan het onderwerp waarover ze schrijven: ik kan er slecht tegen. Maar dat is mijn persoonlijke smaak. Een journalist hoeft mij niet te bevallen. Hij moet zijn werk doen. En precies daar begint het probleem.
Want wie naar de Nederlandse voetbaljournalistiek kijkt, ziet een merkwaardige ontwikkeling. De journalist is steeds vaker onderdeel geworden van het voetbalcircus dat hij geacht wordt kritisch te volgen. Hij schuift aan, maakt filmpjes, podcasts, televisieoptredens, schrijft columns, verschijnt op X en zit vervolgens weer bij de volgende persconferentie. Het ene medium verwijst naar het andere en uiteindelijk zitten steeds dezelfde hoofden aan dezelfde tafels. Het lijkt soms meer op een rondreizend gezelschap dan op onafhankelijke journalistiek. En dan die persconferenties.
Bondscoaches zitten voor een peloton journalisten dat regelmatig vragen stelt waarvan je denkt: hebben jullie überhaupt geluisterd naar wat de collega drie minuten geleden vroeg? Dezelfde vraag wordt vervolgens in een iets andere verpakking opnieuw gesteld. Een andere journalist begint aan een vraag met: ‘Maar je zegt eigenlijk...’, om vervolgens precies hetzelfde te vragen. Weer iemand wil weten hoe de sfeer in de groep is. Daarna volgt de onvermijdelijke vraag over vertrouwen. Dan over druk. Dan over de wedstrijd van morgen. Het is een ritueel geworden waarbij luisteren naar elkaar verboden is. Het probleem is niet dat iedere vraag briljant moet zijn. Dat hoeft helemaal niet. Maar wanneer je structureel toegang hebt tot spelers, trainers en bondscoaches, zou je mogen verwachten dat je na tientallen jaren in dit vak iets meer meebrengt dan een microfoon en een open deur. Een goede journalist stelt een vraag waarop iemand liever geen antwoord geeft. Een goede journalist vraagt door. Een goede journalist durft iemand tegen te spreken. En vooral: een goede journalist luistert. Dat laatste lijkt tegenwoordig bijna een vergeten ambacht.
Neem de rel rond Wijffels, Krabbendam en Driessen. Ik ga hier niet bepalen wie er gelijk had. Daarvoor is het Twittergevecht zelf ook niet interessant genoeg. Wat mij veel meer interesseert, is wat zo’n ruzie zegt over het wereldje waarin deze heren opereren.
Want zodra journalisten elkaar publiekelijk de maat gaan nemen, krijg je een merkwaardig schouwspel. Iedereen blijkt plotseling expert op het gebied van journalistieke normen en waarden. Iedereen weet precies hoe het hoort.
Maar ondertussen zitten dezelfde mensen al jarenlang op schoot bij de voetbalindustrie. Gratis naar wedstrijden. Gratis naar trainingen. Gratis naar persconferenties. Toegang tot spelers. Toegang tot trainers. Hotels, vliegtuigen, mixed zones, persruimtes en skyboxen. En dat allemaal omdat ze geacht worden onafhankelijk verslag te doen van het product waar ze tegelijkertijd onderdeel van zijn geworden.
En dat is dus niet het geval
En het wordt helemaal vermakelijk wanneer ik zie wie er tegenwoordig allemaal aanschuiven bij XAVI. Op een voor de oud-bondscoach Ronald Koeman bepaald trieste dag zag ik Pascal ‘blokhoofd’ Kamperman namens ESPN vrolijk vertellen hoe goed het allemaal was onder de nieuwe bondscoach. Er was veel met de bal getraind, er was plezier, inzet en passie. Je zou bijna een klein schopje tegen zijn waarschijnlijk worstenpootjes willen geven. Want wat moet een kijker met dat soort observaties?
‘Er was plezier.’ Fantastisch.
Misschien kunnen we de volgende keer ook nog melden dat de spelers hun schoenen hadden aangetrokken, dat er een bal op het veld lag en dat het gras groen was. Natuurlijk snap ik dat niet iedere training een journalistiek moment oplevert. Maar juist daarom moet je als journalist onderscheid maken tussen informatie en propaganda. Een trainer zegt dat zijn spelers plezier hebben? Prima. Een journalist hoeft dat niet vervolgens als een soort onafhankelijke waarheid aan de kijker te presenteren. Vraag eens waarom er plezier is. Vraag eens waarom bepaalde spelers niet trainen. Vraag eens waarom een tactische keuze wordt gemaakt. Vraag eens waarom een speler buiten de selectie valt. Journalistiek is geen wedstrijdje wie het dichtst bij de bondscoach kan komen. Het is ook geen populariteitswedstrijd op X. Wat mij betreft mogen Wijffels, Krabbendam en Driessen elkaar iedere dag verbaal te lijf gaan. Daar lig ik niet wakker van. Maar laat ze dan vooral ook eens laten zien dat ze in staat zijn hun eigen beroepsgroep kritisch te bekijken. Want de Nederlandse sportjournalistiek heeft genoeg problemen om zich druk over te maken.
De oppervlakkigheid. De belangenverstrengeling. De vriendjespolitiek. Het voortdurend napraten van trainers en spelers. De angst om bronnen kwijt te raken. Het eindeloos herhalen van dezelfde onderwerpen. En misschien wel het grootste probleem: de journalist die vergeet dat hij er niet zit om vriendjes te worden met de mensen over wie hij schrijft. Voetbaljournalisten zijn geen supporters. Ze zijn geen onderdeel van de technische staf. Ze horen journalist te zijn. En dat betekent soms dat je een vervelende vraag stelt. Soms dat je iemand boos maakt. Soms dat je geen uitnodiging krijgt voor een gezellig diner. En soms dat een trainer je na afloop niet meer aardig vindt.
Dat is geen beroepsrisico. Dat ís het beroep. Dus misschien moeten de heren op X elkaar iets minder vaak vertellen hoe slecht de ander journalistiek bedrijft en iets vaker in de spiegel kijken. Want wanneer drie volwassen voetbaljournalisten elkaar publiekelijk de tent uitvechten over wie er journalistiek gelijk heeft, terwijl supporters ondertussen snakken naar één fatsoenlijke kritische vraag, blijft vooral één conclusie overeind: Het probleem is niet dat er te veel journalisten zijn. Het probleem is dat er in het betaald voetbal te weinig journalistiek wordt bedreven.
Nederlandse sportjournalistiek anno 2026. Wat een triestigheid.