Meedenken met de clubs behoort niet tot het takenpakket van de KNVB.
Dat werd vanmorgen maar weer eens duidelijk toen ik in de sportschool het verhaal hoorde van een voetbalvereniging die met zijn twee seniorenteams graag onder hetzelfde speelnummer aan het seizoen wilde deelnemen. Niet omdat men daar nu zo nodig een bijzondere regeling voor wilde, maar simpelweg om het organisatorisch voor de club een stuk gemakkelijker te maken. Door beide teams op dezelfde zaterdag thuis te laten spelen, zouden vrijwilligers beter kunnen worden ingezet en zouden beide wedstrijden op één dag kunnen worden afgewerkt. Op het eerste gezicht lijkt dat helemaal geen onlogische vraag.

Sterker nog, wanneer je weet waar veel verenigingen tegenwoordig mee te maken hebben, is het eigenlijk een heel begrijpelijk verzoek. Vrijwilligers liggen nergens meer in grote getale voor het oprapen. Mensen hebben drukke banen, gezinnen, andere verplichtingen en simpelweg minder tijd om op zaterdag meerdere uren op de club aanwezig te zijn. Een vereniging moet daarom steeds creatiever omgaan met de mensen die wél bereid zijn om de handen uit de mouwen te steken. Daarnaast speelt natuurlijk ook het financiële aspect een rol.
Wanneer twee seniorenteams op dezelfde zaterdag thuis spelen, hoeft een vereniging minder vaak het sportpark volledig te laten draaien. Denk aan het kalken van de lijnen, het gebruik van kleedkamers, verlichting, verwarming en andere voorzieningen. In het genoemde geval zou het energie- en onderhoudsgebruik beperkt kunnen blijven tot maximaal drie zaterdagen in plaats van maximaal vijf. Het gaat dus niet om een club die voor het eigen gemak een uitzonderingspositie probeert af te dwingen. Het gaat om een vereniging die probeert op een praktische manier om te gaan met de realiteit van vandaag. Die vraag ging vervolgens richting de KNVB. En wat gebeurde er? Niets.
Mijn gesprekspartner trok zijn schouders op en ging vervolgens verder met een ander punt waar hij zich, en terecht, mateloos aan stoorde.
"We zitten weer in een competitie met een ploeg die vorig seizoen in onze competitie kampioen werd. Ik vind het van de gekke dat de KNVB een kampioen niet anders indeelt. Zet ze gewoon standaard een klasse hoger of druk ze in een andere poule." Ook dat is op zichzelf een logische vraag en een opmerking waar je als voetbalbond in ieder geval iets mee zou kunnen doen. Je kunt uitleggen waarom een kampioen niet automatisch promoveert, welke regels daarbij gelden en hoe de indeling tot stand komt. Misschien is er een goede reden waarom de kampioen opnieuw in dezelfde klasse is ingedeeld. Prima. Leg het dan uit. Maar juist daar lijkt het probleem te zitten. Niet eens zozeer in de uitkomst, maar in het gebrek aan communicatie. Mijn gesprekspartner keek er inmiddels nauwelijks meer van op. En misschien zegt dat laatste nog wel het meest. Men is blijkbaar al niet eens meer verbaasd wanneer er vanuit, in ons geval, Zwolle, geen respons komt. Dat is misschien nog wel zorgelijker dan een verkeerde indeling of een afgewezen verzoek. Want hoe vaak hoor je tegenwoordig niet dat de KNVB een log instituut is geworden met weinig tot geen aandacht voor de verenigingen die uiteindelijk de basis vormen van het Nederlandse voetbal? We kunnen dat blijven herhalen, maar wanneer je vervolgens dit soort verhalen hoort, wordt het steeds moeilijker om die kritiek simpelweg als gemopper van een paar ontevreden bestuurders of supporters af te doen. De afstand tussen bond en vereniging lijkt steeds groter te worden. En juist op het moment dat verenigingen het moeilijker krijgen, zou je eigenlijk het tegenovergestelde verwachten.
Steeds meer clubs hebben moeite om zich staande te houden binnen een maatschappij die voortdurend verandert. Het aantal vrijwilligers loopt terug, kosten stijgen, bestuursfuncties zijn moeilijker in te vullen en het organiseren van een normale zaterdag op een sportpark vraagt steeds meer van een relatief kleine groep mensen. Bij verenigingen die actief zijn in de hogere categorieën lukt het allemaal misschien nog enigszins. Daar zijn doorgaans meer leden, meer vrijwilligers, meer inkomsten en vaak ook meer mogelijkheden om bepaalde zaken professioneel te organiseren. Maar wanneer een vereniging met zijn teams alleen in de B-categorie vertegenwoordigd is, wordt het een ander verhaal. Daar draait het vaak op een paar mensen die al jaren dezelfde taken uitvoeren. Mensen die niet alleen op zaterdag langs de lijn staan, maar ook op vrijdagavond de kantinevoorraad aanvullen, de velden controleren, de kleedkamers nalopen, wedstrijden regelen en na afloop de boel weer opruimen. Dat zijn de mensen die het amateurvoetbal overeind houden.
En laat één ding duidelijk zijn: ook die verenigingen dragen bondscontributie af. Ook die verenigingen zijn lid van de KNVB. Ook daar worden wedstrijden georganiseerd, spelers geregistreerd en scheidsrechters aangesteld. En ook daar wordt dus bijgedragen aan de organisatie die de belangen van het Nederlandse voetbal zegt te vertegenwoordigen. Daarom mogen ook die verenigingen verwachten dat een normale vraag serieus wordt bekeken. Een antwoord hoeft niet altijd "ja" te zijn. Dat lijkt mij zelfs het belangrijkste punt van dit hele verhaal. Een bond kan niet iedere wens van een vereniging in willigen. Regels zijn regels en competitie-indelingen zullen altijd ingewikkeld blijven. Er zullen bovendien situaties zijn waarin het simpelweg onmogelijk is om met iedere individuele wens rekening te houden.
Maar een antwoord geven? Dat moet toch niet te veel gevraagd zijn. Wanneer een vereniging uitlegt waarom het voor haar belangrijk is om twee seniorenteams op dezelfde zaterdag thuis te laten spelen, dan mag je op zijn minst verwachten dat iemand binnen de KNVB de moeite neemt om daar serieus naar te kijken. Wanneer een club vraagt waarom een kampioen opnieuw in dezelfde competitie wordt ingedeeld, dan mag je verwachten dat daar een begrijpelijke uitleg op volgt. Dat is geen luxe. Dat is dienstverlening aan je leden. Vijfhonderd medewerkers, dat kan en dat mag. Een grote organisatie brengt nu eenmaal veel werk met zich mee. Maar juist wanneer je als organisatie zo groot bent, zou het toch geen moeite moeten kosten om een normale vraag van een aangesloten vereniging te beantwoorden. Clubs vragen niet om een voorkeursbehandeling. Ze vragen om gehoord te worden. Om iemand die meedenkt. Om een antwoord. Om het gevoel dat er aan de andere kant van de lijn iemand zit die begrijpt dat amateurvoetbal niet alleen uit reglementen, systemen en competitie-indelingen bestaat, maar vooral uit mensen. En als juist die mensen op een gegeven moment het gevoel krijgen dat hun bond niet naar hen luistert, dan is er iets mis.Want zonder die verenigingen, zonder die vrijwilligers en zonder die mensen die op zaterdagmiddag de lijnen trekken, de koffie schenken en de teams laten voetballen, bestaat het Nederlandse amateurvoetbal niet. Daar zou de KNVB zich best meer bewust van mogen zijn.