De show must go on, maar opa en zijn kleinzoons blijven thuis

Geschreven door Johan Staal op . Geplaatst in Columns

Enkele weken geleden dacht ik: misschien is het wel een leuk idee om mijn twee voetballende kleinzoons eens mee te nemen naar een wedstrijd in het betaald voetbal. Een middag of avond naar een stadion, wedstrijd kijken, sfeer proeven en misschien blijven hangen met een broodje en een drankje. Gewoon een mooie herinnering maken. Na gisteren weet ik het heel zeker: dat idee kunnen we maar beter begraven.


johan 1
Een bezoek aan welk stadion dan ook is voor mij een gepasseerd station. Niet vanwege het voetbal. Niet vanwege de uitslag. Zelfs niet vanwege de soms idiote toegangsprijzen. Nee, vanwege een zootje tuig van de richel dat zich supporter noemt, maar zich gedraagt alsof een stadion een vrijplaats is waar iedere vorm van beschaving bij de ingang kan worden ingeleverd. En vervolgens kijken we met z’n allen verbaasd toe.

Op televisie en sociale media werd er na de gebeurtenissen van gisteren door beleidsbepalers, trainers, spelers en andere betrokkenen schande gesproken over de Feyenoord-supporters die vuurwerk op het veld en richting anderen gooiden. Terecht natuurlijk. Vuurwerk hoort niet op een voetbalveld en al helemaal niet tussen mensen. Maar bij mij blijft dan één vraag hangen: hoe krijgt dat gajes dat spul überhaupt het stadion binnen? Want daar begint het probleem.

Iedereen lijkt achteraf heel dapper. Iedereen veroordeelt het gedrag. Iedereen spreekt over grenzen die zijn overschreden. Iedereen zegt dat dit nooit meer mag gebeuren. Maar vóórdat het zover komt, lijkt er een merkwaardige verlamming te ontstaan. Hoe kan het dat er kennelijk mensen met vuurwerk een stadion binnenkomen? Hoe kan het dat veiligheidsmaatregelen blijkbaar wel streng genoeg zijn om een opa met een flesje drinken moeilijk te laten doen, maar niet streng genoeg om explosief materiaal buiten de deur te houden? En misschien nog belangrijker: waarom lijkt iedereen zo ontzettend voorzichtig met het benoemen van de werkelijke veroorzakers?

Algemeen directeur Robert Eenhoorn zegt dat hij zich schaamt voor het gedrag van de supporters. Dat klinkt netjes. Het klinkt bestuurlijk verantwoord. Maar ik zou zo graag eens iemand uit de voetbalwereld horen zeggen: “Dit zijn geen supporters. Dit zijn mensen die onze club, onze stad en de sport kapotmaken.” Dat is andere taal.

Natuurlijk kun je niet bewijzen dat bestuurders, trainers of spelers persoonlijk bang zijn voor de harde kern. Maar soms krijg je wel de indruk dat de angst om de verkeerde mensen tegen je in het harnas te jagen groter is dan de bereidheid om de juiste woorden te gebruiken. En dat geldt niet alleen voor Feyenoord.

Ook bij ESPN krijg ik regelmatig het gevoel dat de verontwaardiging nogal selectief wordt gedoseerd. Zodra er iets gebeurt, schuiven deskundigen, presentatoren en analisten aan om te vertellen hoe verschrikkelijk het allemaal is. Vervolgens gaat de uitzending door alsof er een klein technisch probleem is geweest dat inmiddels is opgelost. Tot de volgende keer.

Gisteren waren er vijf gewonden in Leeuwarden. Vijf mensen die waarschijnlijk helemaal niet van plan waren om onderdeel te worden van het volgende hoofdstuk in de eindeloze discussie over voetbalgeweld. Vijf mensen die gewoon naar een wedstrijd gingen. En dan zie je ook Henk de Jong staan. Zijn gezicht sprak boekdelen. Natuurlijk vond ook hij dat dit niet had mogen gebeuren. Dat geloof ik onmiddellijk. Maar vervolgens gebeurde iets wat mij misschien nog wel meer tegenstaat dan het incident zelf. De wedstrijd ging door. De show must go on. Daar zit voor mij de kern van de hypocrisie.

We zeggen dat we solidair zijn met de vijf gewonden. We vinden het verschrikkelijk. We spreken er schande van. Maar tegelijkertijd zeggen we: wij gaan gewoon door met de wedstrijd. Dat is een merkwaardige vorm van solidariteit. Het is een beetje alsof je zegt: “Wat verschrikkelijk dat jullie gewond zijn geraakt. Wij leven met jullie mee. En nu allemaal weer op de tribune, want de tweede helft begint.” Waarom zou een voetbalwedstrijd belangrijker zijn dan de veiligheid van de mensen die ernaartoe komen? En nee, ik beweer niet dat iedere wedstrijd onmiddellijk moet worden stilgelegd zodra er iets gebeurt. Ik beweer ook niet dat iedere supporter verantwoordelijk is voor het gedrag van een paar idioten. Integendeel. De overgrote meerderheid van de voetballiefhebbers wil gewoon naar een wedstrijd, juichen voor zijn club en daarna weer naar huis. Maar juist voor die mensen zou je keihard moeten optreden tegen degenen die er een puinhoop van maken. Want zolang het voetbalbedrijf belangrijker lijkt dan de veiligheid van de bezoeker, blijft de boodschap uiteindelijk dezelfde: we vinden het verschrikkelijk, zolang het programma maar door kan gaan. En daar pas ik voor. Ik zou mijn kleinzoons graag een stadion laten zien. Ze voetballen zelf. Ze vinden het spelletje prachtig. Ze zouden waarschijnlijk met grote ogen naar de spelers kijken en genieten van de sfeer. Maar ik ga ze niet meenemen naar een omgeving waarvan ik mij moet afvragen of er naast een kaartje ook een helm en een brandblusser nodig zijn. Dat is misschien wel de grootste nederlaag van allemaal.

Niet de nederlaag van een club op het veld, maar de nederlaag van een sport die kinderen zou moeten leren wat samenwerken, respect, winnen en verliezen betekent. Een sport waarin ouders en grootouders hun kinderen en kleinkinderen veilig zouden moeten kunnen meenemen. Het betaald voetbal heeft zelf de sleutel in handen. Noem de daders geen supporters als ze zich gedragen als vandalen. Stop met die eindeloze reeks halfzachte verklaringen. Leg verantwoordelijkheid waar die hoort. En wees vooral bereid om een wedstrijd eens niet belangrijker te vinden dan de mensen die ernaar komen kijken. Want zolang iedereen achteraf roept dat het verschrikkelijk was, maar ondertussen de lichten weer aangaan, de camera’s draaien en de wedstrijd gewoon doorgaat, verandert er niets. De show must go on, zo lijkt het. Maar voor mij hoeft die show niet meer. Voor mijn kleinzoons is het stadionbezoek samen met opa een gepasseerd station.