Stelling van de week: De jeugd traint te weinig
Het was september 1988 toen ik mij mocht melden voor het toelatingsexamen voor de cursus Jeugdvoetbaltrainer. Dat examen bestond uit twee onderdelen: een theoretisch gedeelte met vragen over de spelregels, trainingsleer en coaching, en een praktijkgedeelte waarin je moest laten zien dat je zelf over voldoende technische vaardigheden beschikte. Tegenwoordig klinkt dat misschien vanzelfsprekend, maar destijds was het een duidelijke boodschap van de KNVB: wie jeugdspelers wil opleiden, moet zelf ook weten waar hij over praat en de basis van het spel beheersen.

Na het succesvol afronden van het toelatingsexamen begon een leerzame periode. Twintig weken lang reed ik iedere maandagavond en zaterdagmorgen naar Hoogezand, waar de cursus werd gegeven. Dat betekende veel reistijd, veel huiswerk en vooral veel praktijk. Maar geen moment voelde het als een verplichting. Je wilde beter worden als trainer en daarvoor moest je investeren. We hadden het geluk les te krijgen van twee uitstekende docenten: Sietse van Dellen en Fred Hansen. Mannen met kennis van zaken, die niet alleen vertelden hoe het moest, maar vooral ook uitlegden waarom iets belangrijk was. Zij leerden ons dat een voetbaltraining geen verzameling losse oefeningen is, maar een zorgvuldig opgebouwd geheel.
Een training had een duidelijke structuur. Eerst de warming-up, vervolgens de kern waarin een bepaald thema centraal stond en tenslotte een partijvorm waarin alles zoveel mogelijk terugkwam. Binnen die onderdelen werd gewerkt met verschillende oefenvormen die logisch op elkaar aansloten. Het was geen kwestie van "we doen vandaag maar wat", maar van bewust opleiden.
Wat mij altijd is bijgebleven, is dat een trainingsduur van negentig minuten de standaard was. Dat was geen toevallige keuze. Er was simpelweg tijd nodig om spelers iets te leren. Techniek aanleren kost herhaling. Positiespel ontwikkelen kost tijd. Spelinzicht groeit niet in twintig minuten. En een partijvorm waarin spelers de geleerde vaardigheden kunnen toepassen heeft ook voldoende minuten nodig.
Dat was in 1988.
Bijna veertig jaar later is de voetbalwereld behoorlijk veranderd. Natuurlijk zijn er positieve ontwikkelingen. Er is meer kennis beschikbaar, er zijn betere materialen, videoanalyse is toegankelijk geworden en trainers kunnen via allerlei platforms opleidingen volgen. Toch zie ik ook een ontwikkeling die mij zorgen baart. Wanneer ik tegenwoordig over de websites van amateurverenigingen scroll, zie ik steeds vaker trainingsschema's waarbij jeugdteams slechts zestig minuten trainen. Een uur voetbal. Soms zelfs maar één keer per week.
Ik blijf dat vreemd vinden. Juist nu kinderen buiten de club om veel minder voetballen dan vroeger, zou je verwachten dat verenigingen extra investeren in kwalitatieve training. Het tegenovergestelde lijkt echter te gebeuren. Toen ik zelf jong was, vormden de clubtrainingen slechts een deel van de totale voetbalweek. Na school ging je met vrienden naar een trapveldje. Je speelde op straat, op een pleintje of ergens op een grasveld. Niet een half uur, maar soms de hele middag. Je oefende schijnbewegingen, speelde één tegen één, kleine partijtjes of probeerde honderd keer achter elkaar hoog te houden. Zonder dat je het doorhad, maakte je honderden balcontacten per dag.
Die extra uren bestaan tegenwoordig nog maar mondjesmaat. Kinderen hebben veel meer alternatieven. Sociale media, gamen, streamingdiensten en een overvolle agenda met allerlei andere activiteiten zorgen ervoor dat het vrije straatvoetbal grotendeels is verdwenen. Dat is niemand persoonlijk te verwijten; de maatschappij is veranderd. Maar juist daarom zou de vereniging een belangrijkere opleidingsrol moeten krijgen.
Als een speler buiten de club nauwelijks meer voetbalt, moet de kwaliteit én de hoeveelheid training omhoog in plaats van omlaag. Want voetbal blijft een vaardigheidssport. Techniek ontwikkel je door duizenden herhalingen. Een goede eerste aanname ontstaat niet vanzelf. Een perfecte pass, een juiste lichaamshouding of een slimme loopactie leer je alleen door veel te oefenen. Daar bestaat geen snelle route voor. Toch lijkt er steeds minder tijd beschikbaar voor die ontwikkeling. Dat zie je uiteindelijk terug op het veld.
Niet omdat de huidige generatie minder talent heeft dan vroeger, maar omdat zij simpelweg minder uren maakt. Minder trainingsminuten, minder balcontacten en minder vrije uren met een bal aan de voet leveren uiteindelijk ook minder complete voetballers op. Dat is geen gevoel, maar eigenlijk pure logica. Naast de beperkte trainingsduur speelt nog een ander probleem: het tekort aan goed kader.
Vanmorgen zag ik op X opnieuw een oproep voor een trainer van een JO15 en een JO17-team. Zulke oproepen zie ik steeds vaker voorbij komen. Heel eerlijk?
Ik vind het een kansloos verhaal. Via sociale media hopen dat zich spontaan een goede jeugdtrainer meldt, is ongeveer hetzelfde als ervan uitgaan dat je de Staatsloterij wint. Natuurlijk kan het een keer gebeuren, maar structureel los je daarmee het probleem niet op. Het echte probleem zit veel dieper.
Steeds minder mensen zijn bereid meerdere avonden per week op het trainingsveld te staan. Trainers worden moeilijk gevonden en als ze al beschikbaar zijn, worden ze vaak ingezet waar op dat moment de grootste nood is. Niet altijd waar ze de meeste invloed kunnen hebben.
En juist daar maakte Johan Cruijff ooit een opmerking die nog altijd niets aan actualiteit heeft verloren ,,Zet je beste jeugdtrainers bij de onderbouw." Een eenvoudige zin, maar misschien wel één van de belangrijkste uitspraken over jeugdopleiding ooit. Want daar begint alles.
In de onderbouw worden de fundamenten gelegd. Daar leren kinderen dribbelen, passen, aannemen, vrijlopen, kijken voordat ze de bal krijgen en plezier beleven aan het spel. Alles wat later vanzelfsprekend lijkt, wordt juist in die eerste jaren ontwikkeld. Een speler die op jonge leeftijd een goede technische basis krijgt, profiteert daar zijn hele voetbalcarrière van. Andersom geldt dat ook. Wie die basis mist, blijft dat vaak zijn hele loopbaan met zich meedragen. Daarom is het eigenlijk onbegrijpelijk dat juist de jongste jeugd regelmatig wordt begeleid door trainers die het "er een beetje bij doen", terwijl de meest ervaren trainers vaak bij de oudste jeugd of de senioren terechtkomen. De grootste winst valt juist in de eerste jaren te behalen. Niet met één training van zestig minuten per week, maar met minimaal twee trainingen van negentig minuten waarin techniek, coördinatie, spelinzicht en plezier centraal staan. Dat vraagt om goede trainers, een duidelijke visie en verenigingen die jeugdopleiding echt als prioriteit zien. Natuurlijk vraagt dat meer inzet van vrijwilligers en meer organisatie. Maar als clubs serieus werk willen maken van talentontwikkeling, zullen ze daarin moeten investeren. Want uiteindelijk geldt een eenvoudige voetbalwet die in 1988 al waar was en vandaag de dag nog steeds geldt.
Een betere voetballer ontstaat niet vanzelf. Die ontstaat door goede trainers, veel balcontacten, voldoende trainingsuren en vooral door heel veel herhalen. Misschien is het daarom tijd dat verenigingen zichzelf eens de vraag stellen: trainen onze jeugdspelers eigenlijk wel genoeg? Het antwoord daarop bepaalt voor een groot deel hoe het voetbal er over tien jaar uit zal zien.