Doelen op latere leeftijd? Ja ,waarom niet!!
Het was woensdagochtend, kort na de training van de SV Bedum Oldstars, dat het gesprek al snel op gang kwam. Niet zozeer over de gebruikelijke dingen als een mooie actie, een gemiste kans of een geslaagde training, maar over iets minder tastbaars: vorm. Aanleiding was mijn eigen spel van die ochtend, dat door anderen duidelijk anders werd ervaren dan in de twee weken daarvoor. En eerlijk is eerlijk, ik voelde het zelf ook. Het liep soepeler, mijn keuzes waren beter en de training ging gewoon stukken beter.

Toch ben ik niet iemand die daarbij de nadruk op zichzelf legt of op de borst klopt. Daar ben ik niet van en ook nooit geweest. Maar langs de lijn werd er wel degelijk over gesproken. En was er verbazing over het feit dat ik mij ook op latere leeftijd nog steeds doelen stel. Alsof dat iets uitzonderlijks is.
Die verbazing deel ik eerlijk gezegd niet. Voor mij voelt het juist als iets vanzelfsprekends. Natuurlijk, ik ben me er terdege van bewust dat ouder worden niet automatisch leidt tot betere sportieve prestaties. Het lichaam verandert, herstelt minder snel en vraagt om meer zorg en aandacht. Maar dat betekent niet dat je moet stoppen met streven, met proberen, met jezelf uitdagen. Integendeel misschien juist wel.
In mijn beleving zit juist daar de kern van het plezier in sporten: het hebben van doelen. Die doelen hoeven niet groot of spectaculair te zijn. Het gaat niet om records die de wereld overgaan, maar om persoonlijke mijlpalen. Zo ken ik een langeafstandsloopster die de zeventig al een paar jaar is gepasseerd en die er nog steeds in slaagt haar persoonlijke record op de 10 kilometer te verbeteren. Dat is iets waar ik diep respect voor heb. Niet omdat ze per se sneller is dan anderen, maar omdat ze blijft zoeken naar verbetering, naar groei, naar dat kleine beetje extra.
Ik zeg niet dat zij mijn grote voorbeeld is, maar ik herken wel wat haar drijft. Diezelfde motivatie vind ik terug in mijn eigen manier van sporten. Of het nu gaat om het E-gym, waar ik probeer het maximale percentage te halen, of om het versneld voortbewegen,het hardlopen, waarbij ik streef naar een langere afstand of een iets hoger tempo. Het zijn concrete doelen die richting geven aan wat je doet.
Die doelen maken het sporten niet alleen zinvoller, maar ook leuker. Ze zorgen ervoor dat je ergens naartoe werkt, dat elke training betekenis krijgt. Zonder dat zou het al snel vrijblijvend worden, en misschien ook wel saai. En dat geldt net zo goed voor het Walking Football. Ook daar heb ik een doel: belangrijk zijn voor het team. Dat hoeft voor mij zeker niet te betekenen dat je scoort, maar wel dat je bijdraagt, dat je aanspeelbaar bent, dat je het spel begrijpt en anderen beter laat spelen.
Dat was precies waar het gesprek die woensdagochtend over ging. Over wat je drijft, over waarom je nog steeds dat veld op stapt, week in, week uit. De meningen liepen uiteen. Sommigen vonden het vooral belangrijk om gewoon lekker bezig te zijn, zonder al te veel druk of verwachtingen. Anderen, waaronder ikzelf, haalden juist voldoening uit het stellen van doelen, hoe klein ook.
En dat verschil in inzicht maakte het gesprek eigenlijk alleen maar interessanter. Want je hoeft het niet altijd met elkaar eens te zijn om elkaar te kunnen waarderen. Sterker nog, juist die verschillen zorgen voor dynamiek, voor nieuwe inzichten en voor begrip. Iedereen beleeft sport op zijn eigen manier, en daar is niets mis mee.
Wat mij vooral bijbleef van die ochtend, was het gevoel van onderlinge waardering. Dat, ongeacht de verschillende opvattingen, er respect was voor elkaars manier van beleven. Dat er gezien werd wat iemand brengt, niet alleen in doelpunten of prestaties, maar ook in inzet, houding en betrokkenheid.
En uiteindelijk is dat misschien wel veel belangrijker dan alles wat meetbaar is. Meer dan het aantal gescoorde doelpunten, meer dan een gewonnen partij of een persoonlijke verbetering. Het gaat om het gevoel dat je ertoe doet, dat je onderdeel bent van een geheel, dat je samen iets beleeft. Vorm mag dan een ongrijpbaar iets zijn, iets dat komt en gaat, maar waardering is dat niet. Dat is iets wat blijft hangen, wat je meeneemt naar de volgende training, naar de volgende wedstrijd. En misschien was dat wel de echte winst van die woensdagochtend.
Die verbazing deel ik eerlijk gezegd niet. Voor mij voelt het juist als iets vanzelfsprekends. Natuurlijk, ik ben me er terdege van bewust dat ouder worden niet automatisch leidt tot betere sportieve prestaties. Het lichaam verandert, herstelt minder snel en vraagt om meer zorg en aandacht. Maar dat betekent niet dat je moet stoppen met streven, met proberen, met jezelf uitdagen. Integendeel misschien juist wel.
In mijn beleving zit juist daar de kern van het plezier in sporten: het hebben van doelen. Die doelen hoeven niet groot of spectaculair te zijn. Het gaat niet om records die de wereld overgaan, maar om persoonlijke mijlpalen. Zo ken ik een langeafstandsloopster die de zeventig al een paar jaar is gepasseerd en die er nog steeds in slaagt haar persoonlijke record op de 10 kilometer te verbeteren. Dat is iets waar ik diep respect voor heb. Niet omdat ze per se sneller is dan anderen, maar omdat ze blijft zoeken naar verbetering, naar groei, naar dat kleine beetje extra.
Ik zeg niet dat zij mijn grote voorbeeld is, maar ik herken wel wat haar drijft. Diezelfde motivatie vind ik terug in mijn eigen manier van sporten. Of het nu gaat om het E-gym, waar ik probeer het maximale percentage te halen, of om het versneld voortbewegen,het hardlopen, waarbij ik streef naar een langere afstand of een iets hoger tempo. Het zijn concrete doelen die richting geven aan wat je doet.
Die doelen maken het sporten niet alleen zinvoller, maar ook leuker. Ze zorgen ervoor dat je ergens naartoe werkt, dat elke training betekenis krijgt. Zonder dat zou het al snel vrijblijvend worden, en misschien ook wel saai. En dat geldt net zo goed voor het Walking Football. Ook daar heb ik een doel: belangrijk zijn voor het team. Dat hoeft voor mij zeker niet te betekenen dat je scoort, maar wel dat je bijdraagt, dat je aanspeelbaar bent, dat je het spel begrijpt en anderen beter laat spelen.
Dat was precies waar het gesprek die woensdagochtend over ging. Over wat je drijft, over waarom je nog steeds dat veld op stapt, week in, week uit. De meningen liepen uiteen. Sommigen vonden het vooral belangrijk om gewoon lekker bezig te zijn, zonder al te veel druk of verwachtingen. Anderen, waaronder ikzelf, haalden juist voldoening uit het stellen van doelen, hoe klein ook.
En dat verschil in inzicht maakte het gesprek eigenlijk alleen maar interessanter. Want je hoeft het niet altijd met elkaar eens te zijn om elkaar te kunnen waarderen. Sterker nog, juist die verschillen zorgen voor dynamiek, voor nieuwe inzichten en voor begrip. Iedereen beleeft sport op zijn eigen manier, en daar is niets mis mee.
Wat mij vooral bijbleef van die ochtend, was het gevoel van onderlinge waardering. Dat, ongeacht de verschillende opvattingen, er respect was voor elkaars manier van beleven. Dat er gezien werd wat iemand brengt, niet alleen in doelpunten of prestaties, maar ook in inzet, houding en betrokkenheid.
En uiteindelijk is dat misschien wel veel belangrijker dan alles wat meetbaar is. Meer dan het aantal gescoorde doelpunten, meer dan een gewonnen partij of een persoonlijke verbetering. Het gaat om het gevoel dat je ertoe doet, dat je onderdeel bent van een geheel, dat je samen iets beleeft. Vorm mag dan een ongrijpbaar iets zijn, iets dat komt en gaat, maar waardering is dat niet. Dat is iets wat blijft hangen, wat je meeneemt naar de volgende training, naar de volgende wedstrijd. En misschien was dat wel de echte winst van die woensdagochtend.