De KNVB graait wel maar luisteren? ho maar!!!
Het inhalen van wedstrijden in vooral de onderste regionen van het standaardvoetbal is dinsdag 7 april begonnen met het duel tussen Eenrum en KRC. Op het eerste gezicht een onopvallende wedstrijd, maar symbolisch voor een groter probleem dat al jaren speelt binnen het amateurvoetbal. Want deze inhaalduels zijn geen incidenten meer; ze zijn structureel geworden. En ze zorgen ervoor dat, als alles volgens schema verloopt, zo’n 90% van de teams in het weekend van 23 en 24 mei hun laatste competitiewedstrijd speelt.

Wie dinsdagavond langs de lijn stond in Eenrum, merkte meteen waar het schuurt. Het was koud. Niet een beetje fris, maar ‘vies’ koud, zoals alleen een grillige aprilavond kan zijn. “April doet wat hij wil” is een cliché, maar die avond werd het weer volledig waargemaakt. Gelukkig bleef het droog, want bij regen was het plaatje nog schrijnender geweest. Dan had de kantine nauwelijks iets om handen gehad.
En juist daar zit een van de grootste pijnpunten. Doordeweeks voetballen is simpelweg onaantrekkelijk. Voor spelers, voor vrijwilligers en zeker voor supporters. Waar je in het weekend nog kunt rekenen op een redelijke opkomst, blijft het publiek op een doordeweekse avond vaak weg. Werk, school, andere verplichtingen, het zijn allemaal logische redenen. Het gevolg laat zich raden: minder mensen langs de lijn betekent minder omzet in de kantine.
Voor veel amateurverenigingen is die kantine-omzet geen bijzaak, maar bittere noodzaak. Het is de kurk waar de club op drijft. Met die inkomsten worden materialen aangeschaft, energiekosten betaald en soms zelfs tekorten gedicht. Dat is geen zwaktebod, maar de realiteit van het amateurvoetbal. Iedere gemiste euro op een dinsdagavond wordt gevoeld.
Toch blijven die doordeweekse wedstrijden terugkomen. Jaar na jaar klinkt er kritiek vanuit de verenigingen. Jaar na jaar wordt er gewezen op de nadelen. En jaar na jaar lijkt er weinig tot niets te veranderen. De bond, die volgens velen juist naast de clubs zou moeten staan, lijkt deze signalen structureel naast zich neer te leggen.
Dat wringt, zeker omdat clubs wel trouw een ‘vermogen’ aan contributie afdragen. Bedragen die zelfs in de lagere klassen, flink kunnen oplopen. Daar staat tegenover dat veel verenigingen het gevoel hebben dat er onvoldoende naar hen geluisterd wordt. De roep om verandering is al jaren luid en opvallend eensgezind.
Een van de meest gehoorde voorstellen is simpel en praktisch: verklein de competities. Geen poules van 14 of meer teams, maar maximaal 12. Dat betekent minder speelrondes, minder druk op de kalender en dus minder noodzaak voor inhaalwedstrijden doordeweeks. Combineer dat met een duidelijke winterstop – bijvoorbeeld van half december tot 1 maart – en je haalt al een groot deel van de problemen weg.
Daarnaast is het onbegrijpelijk dat het seizoen voor zoveel teams zo vroeg “doodbloedt”. Dat in juni 90% van de clubs stil ligt, terwijl het weer dan vaak uitstekend is om te voetballen, voelt als een gemiste kans. Juist in die periode zouden wedstrijden gespeeld moeten worden. Niet alleen omdat het sportief aantrekkelijker is, maar ook omdat het financieel gunstig is. Meer publiek, betere sfeer en dus meer inkomsten voor de verenigingen. De huidige situatie voelt daarom scheef. In de koudste en minst aantrekkelijke maanden worden clubs gedwongen om door de week te spelen, terwijl in de mooiste periode van het jaar de velden er verlaten bij liggen. Dat is moeilijk uit te leggen aan iedereen die het amateurvoetbal een warm hart toedraagt.
Doordeweeks voetballen zou een uitzondering moeten zijn, geen structurele oplossing. Het is een probleem dat al jaren bekend is. Zolang er niets verandert aan de opzet van de competitie, blijven clubs in dezelfde cyclus vastzitten.
Het duel tussen Eenrum en KRC was daardoor meer dan een inhaalwedstrijd. Het was een illustratie van hoe het nu gaat, en vooral van hoe het niet zou moeten gaan. De vraag is niet óf het anders kan, maar waarom het nog steeds niet anders gebeurt.
Het antwoord is simpel: De KNVB graait wel maar luistert niet.

Wie dinsdagavond langs de lijn stond in Eenrum, merkte meteen waar het schuurt. Het was koud. Niet een beetje fris, maar ‘vies’ koud, zoals alleen een grillige aprilavond kan zijn. “April doet wat hij wil” is een cliché, maar die avond werd het weer volledig waargemaakt. Gelukkig bleef het droog, want bij regen was het plaatje nog schrijnender geweest. Dan had de kantine nauwelijks iets om handen gehad.
En juist daar zit een van de grootste pijnpunten. Doordeweeks voetballen is simpelweg onaantrekkelijk. Voor spelers, voor vrijwilligers en zeker voor supporters. Waar je in het weekend nog kunt rekenen op een redelijke opkomst, blijft het publiek op een doordeweekse avond vaak weg. Werk, school, andere verplichtingen, het zijn allemaal logische redenen. Het gevolg laat zich raden: minder mensen langs de lijn betekent minder omzet in de kantine.
Voor veel amateurverenigingen is die kantine-omzet geen bijzaak, maar bittere noodzaak. Het is de kurk waar de club op drijft. Met die inkomsten worden materialen aangeschaft, energiekosten betaald en soms zelfs tekorten gedicht. Dat is geen zwaktebod, maar de realiteit van het amateurvoetbal. Iedere gemiste euro op een dinsdagavond wordt gevoeld.
Toch blijven die doordeweekse wedstrijden terugkomen. Jaar na jaar klinkt er kritiek vanuit de verenigingen. Jaar na jaar wordt er gewezen op de nadelen. En jaar na jaar lijkt er weinig tot niets te veranderen. De bond, die volgens velen juist naast de clubs zou moeten staan, lijkt deze signalen structureel naast zich neer te leggen.
Dat wringt, zeker omdat clubs wel trouw een ‘vermogen’ aan contributie afdragen. Bedragen die zelfs in de lagere klassen, flink kunnen oplopen. Daar staat tegenover dat veel verenigingen het gevoel hebben dat er onvoldoende naar hen geluisterd wordt. De roep om verandering is al jaren luid en opvallend eensgezind.
Een van de meest gehoorde voorstellen is simpel en praktisch: verklein de competities. Geen poules van 14 of meer teams, maar maximaal 12. Dat betekent minder speelrondes, minder druk op de kalender en dus minder noodzaak voor inhaalwedstrijden doordeweeks. Combineer dat met een duidelijke winterstop – bijvoorbeeld van half december tot 1 maart – en je haalt al een groot deel van de problemen weg.
Daarnaast is het onbegrijpelijk dat het seizoen voor zoveel teams zo vroeg “doodbloedt”. Dat in juni 90% van de clubs stil ligt, terwijl het weer dan vaak uitstekend is om te voetballen, voelt als een gemiste kans. Juist in die periode zouden wedstrijden gespeeld moeten worden. Niet alleen omdat het sportief aantrekkelijker is, maar ook omdat het financieel gunstig is. Meer publiek, betere sfeer en dus meer inkomsten voor de verenigingen. De huidige situatie voelt daarom scheef. In de koudste en minst aantrekkelijke maanden worden clubs gedwongen om door de week te spelen, terwijl in de mooiste periode van het jaar de velden er verlaten bij liggen. Dat is moeilijk uit te leggen aan iedereen die het amateurvoetbal een warm hart toedraagt.
Doordeweeks voetballen zou een uitzondering moeten zijn, geen structurele oplossing. Het is een probleem dat al jaren bekend is. Zolang er niets verandert aan de opzet van de competitie, blijven clubs in dezelfde cyclus vastzitten.
Het duel tussen Eenrum en KRC was daardoor meer dan een inhaalwedstrijd. Het was een illustratie van hoe het nu gaat, en vooral van hoe het niet zou moeten gaan. De vraag is niet óf het anders kan, maar waarom het nog steeds niet anders gebeurt.
Het antwoord is simpel: De KNVB graait wel maar luistert niet.