Hans Nijland is er klaar mee. En ik snap hem helemaal.

Geschreven door Johan Staal op . Geplaatst in Columns



De oud-directeur van FC Groningen gooide onlangs de knuppel in het hoenderhok door te stellen dat spelers best zélf een warming-up kunnen doen. Een opmerking die, zoals dat tegenwoordig gaat, via allerlei social media-kanalen rondzong. Ik heb het fragment zelf via de socials beluisterd, en niet in één van die inmiddels ontelbare podcasts waar Nederland mee wordt overspoeld, en de kern van zijn boodschap kwam luid en duidelijk over. En die kern is simpel: we zijn doorgeslagen.


jopie 2

.

Want laten we eerlijk zijn. Moeten we écht geloven dat een profvoetballer, iemand die al jaren met zijn lichaam werkt, afhankelijk is van een enthousiast springende “warming-up coach” die hem vertelt hoe hij zijn spieren moet opwarmen? Dat lijkt me een onderschatting van zowel de speler als het vak.

Sterker nog, het roept een bredere vraag op: wanneer zijn we in het voetbal gaan denken dat alles voorgedaan moet worden? Dat elk onderdeel van de voorbereiding alleen maar goed kan verlopen als er iemand met een hesje en een fluitje bij staat te dirigeren?

De beelden zijn bekend. Vlak voor de wedstrijd staat er iemand overdreven fanatiek voor de groep. Armen zwaaien, knieën hoog, sprongetjes hier, sprintjes daar. Alsof het een soort aerobicsles is geworden. En de spelers? Die doen braaf mee. Niet per se omdat ze niet zonder kunnen, maar omdat het zo hoort.

Want dat is misschien wel het grootste probleem: het is een ritueel geworden. Iets wat clubs doen omdat andere clubs het ook doen.

Nijland haalde ook de kosten aan van de steeds groter wordende technische staf. En daar raakt hij een gevoelige snaar. Want waar vroeger een trainer het soms met een assistent en misschien een verzorger moest doen , zie je nu complete legers aan specialisten. Performance coaches, data-analisten, voedingsdeskundigen, mentale begeleiders , en dus ook warming-up trainers.

Begrijp me niet verkeerd: ontwikkeling en professionalisering zijn prima. Het spel is sneller, fysieker en intensiever geworden. Natuurlijk hoort daar begeleiding bij. Maar ergens is er een grens overschreden. Een punt waarop ondersteuning omslaat in overorganisatie.

En het blijft niet beperkt tot het betaald voetbal.

Ook op de amateurvelden zie je dezelfde trend. Kijk maar eens op de teampagina’s: lijsten met stafleden die soms langer zijn dan de bank met wisselspelers. Alsof een zaterdagmiddagwedstrijd in de derde klasse alleen nog maar kan plaatsvinden als er een medische en technische staf aanwezig is.

Daar staat dan een trainer, een assistent, een teammanager, een grensrechter, een fysio (al dan niet gediplomeerd), en heel misschien dus ook iemand die zich bezighoudt met de warming-up. Voor een groep spelers die gewoon doordeweeks werken, op vrijdagavond een biertje drinken en op zaterdag vooral willen voetballen.

Het contrast is bijna komisch.

En toch doen we er massaal aan mee. Waarom? Omdat niemand achter wil blijven. Omdat clubs denken dat ze professioneler ogen met een uitgebreide staf. Omdat spelers het gevoel krijgen dat ze serieuzer genomen worden. En omdat, laten we eerlijk zijn, het ook een beetje status geeft.

Maar laten we teruggaan naar de essentie.

Voetbal is in de basis een simpel spel. Twee teams, een bal, een veld. Natuurlijk is het niveauverschil tussen amateur en prof enorm, maar de kern blijft hetzelfde. En die kern raakt soms uit zicht door alle randzaken die we eromheen hebben gebouwd.

Een warming-up is belangrijk, daar is geen discussie over. Maar de vraag is niet óf die nodig is, de vraag is wie daarvoor verantwoordelijk moet zijn. En het antwoord daarop lijkt me vrij logisch: de speler zelf.

Een voetballer kent zijn lichaam. Weet waar zijn zwakke plekken zitten. Voelt wanneer hij moet rekken, wanneer hij moet versnellen, wanneer hij juist even gas terug moet nemen. Dat leer je niet van iemand die vijf minuten voor de wedstrijd voor je staat te springen. Dat leer je door ervaring.

Misschien is dat wel wat er mist in het moderne voetbal: vertrouwen. Vertrouwen in de kennis en het gevoel van de speler.

In plaats daarvan hebben we een systeem gecreëerd waarin alles wordt voorgeschreven. Waarin spelers bijna afhankelijk worden gemaakt van begeleiding voor de meest vreemde dingen. En waarin eigen verantwoordelijkheid langzaam naar de achtergrond verdwijnt.

Dus ja, misschien is het tijd om een stap terug te doen. Om kritisch te kijken naar wat echt waarde toevoegt en wat vooral schijn is. Om niet automatisch alles over te nemen wat “de top” doet, maar na te denken over wat past bij je eigen niveau en situatie.

En misschien, heel misschien, om die rondspringende warming-up trainers eens vriendelijk te bedanken voor hun inzet, en ze daarna te vertellen dat het ook wel een tandje minder kan.

Want soms is minder gewoon beter.