Een trainer is altijd en overal alleen maar een passant
In de voetbalwereld wordt vaak gesproken over loyaliteit, clubgevoel en bouwen aan een toekomst. Trainers praten er graag over, supporters hopen erop en besturen gebruiken het regelmatig in hun beleidsstukken. Maar hoe romantisch dat ook klinkt, de realiteit is een stuk eenvoudiger. In het voetbal,en zeker in het amateurvoetbal, is een trainer uiteindelijk maar één ding: een passant.

Dat klinkt misschien hard, maar het is simpelweg de waarheid. Een trainer kan één jaar bij een club werken, twee jaar, drie jaar of zelfs nog langer. Hij kan successen boeken, kampioenschappen behalen en misschien zelfs een kleine club laten dromen van grootse tijden. Maar hoe lang hij ook blijft en hoeveel prijzen er ook op zijn cv verschijnen, uiteindelijk komt er een moment dat hij vertrekt. Soms omdat de club dat wil, soms omdat hij zelf een nieuwe uitdaging zoekt. Hoe dan ook: de trainer vertrekt en de club blijft bestaan.
En daarmee is hij, hoe je het ook wendt of keert, een passant.
Dat betekent overigens niet dat een trainer geen waarde heeft. Integendeel. Een goede trainer kan een team beter maken, spelers ontwikkelen en een vereniging een sportieve impuls geven. Hij kan structuur brengen, discipline creëren en misschien zelfs een cultuur neerzetten waar spelers nog jaren van profiteren. Maar dat alles gebeurt binnen de kaders van een vereniging die groter is dan één persoon.
Een club heeft immers een bestuur, vrijwilligers, leden en vaak een geschiedenis die tientallen jaren teruggaat. Besturen wisselen, spelers komen en gaan, maar de vereniging blijft bestaan dankzij mensen die vaak al jaren, soms zelfs generaties ,bij de club betrokken zijn.
Juist daarom ligt de verantwoordelijkheid voor ingrijpende besluiten niet bij een trainer, maar bij het bestuur.
Dat werd deze week opnieuw duidelijk bij een vereniging waar men heeft besloten om aan het einde van het seizoen afscheid te nemen van het veldvoetbal in de standaardklasse. Geen licht besluit, integendeel. Dit zijn keuzes waar bestuurders vaak lang over nadenken. Besluiten die niet alleen sportief, maar vooral organisatorisch en financieel zwaar wegen.
Want een club runnen is meer dan een eerste elftal laten voetballen op zaterdag of zondag. Wanneer het ledenaantal terugloopt, de kantine-inkomsten dalen en tegelijkertijd de kosten blijven stijgen, komt er een moment waarop een bestuur zichzelf een eerlijke vraag moet stellen: is dit nog verantwoord? Is dit nog vol te houden op de lange termijn?
Soms is het antwoord daarop pijnlijk.
Het besluit om te stoppen met standaardvoetbal op het veld is er daar één van. Het raakt spelers, supporters en natuurlijk ook de trainer. Want voor een trainer betekent zo’n besluit automatisch dat zijn rol verdwijnt. Dat is vervelend en dat mag ook best gezegd worden. Niemand vindt het leuk wanneer zijn functie ophoudt te bestaan.
Maar dat maakt het besluit van een bestuur niet minder begrijpelijk.
Sterker nog: juist wanneer een bestuur tijdig inziet dat de financiële en organisatorische basis onder een sportieve ambitie wegvalt, kan het nemen van zo’n besluit getuigen van verantwoordelijkheid. Het is immers eenvoudiger om nog een paar jaar door te modderen, de problemen voor je uit te schuiven en te hopen dat het vanzelf beter wordt.
Besturen die dat niet doen, maar wél de moed hebben om een moeilijke knoop door te hakken, verdienen eerder respect dan kritiek.
Over dat besluit verscheen deze week een artikel in de media. Een artikel dat, al zeg ik het zelf, keurig en respectvol was. Geen schreeuwende koppen, geen sensatiezucht en al helemaal geen Telegraafachtige teksten. Gewoon een helder verhaal waarin de voorzitter werd geciteerd en het standpunt van het bestuur werd uitgelegd.
Daarbij werd bewust gekozen om geen hoor en wederhoor toe te passen bij de trainer. Niet uit onwil, maar omdat het simpelweg niet relevant was voor het verhaal. Het besluit om te stoppen met standaardvoetbal wordt namelijk niet genomen door een trainer. Dat is een bestuursbesluit.
Een trainer kan daar een mening over hebben, dat mag natuurlijk altijd. Maar die mening verandert niets aan het feit dat het bestuur de verantwoordelijkheid draagt en dus ook het besluit neemt.
Wanneer een trainer vervolgens zijn gram gaat halen in de media en daarbij ook nog eens onwaarheden verkondigt, maakt dat het geheel vooral triester. Want laten we eerlijk zijn: niemand binnen een bestuur gaat straks op de platte kar door het dorp omdat over een paar maanden de stekker uit het veldvoetbal gaat.
Integendeel.
Voor veel bestuurders is zo’n besluit juist één van de moeilijkste momenten in hun bestuursperiode. Het zijn vaak vrijwilligers die hun vrije tijd investeren in een club waar ze al jaren, soms hun hele leven, bij betrokken zijn. Mensen die liever successen vieren dan moeilijke maatregelen nemen.
Dat verdient op zijn minst begrip.
Maar wanneer een passant ,want dat blijft een trainer uiteindelijk, er vervolgens een verhaal van maakt alsof hem groot onrecht is aangedaan, dan raakt de discussie al snel uit balans. Dan wordt een verstandig bestuursbesluit neergezet als iets persoonlijks, terwijl het in werkelijkheid gaat om het voortbestaan van een vereniging. En dat is precies waar het om draait.
Een club moet keuzes maken die in het belang zijn van de vereniging op de lange termijn. Niet in het belang van een trainer die er tijdelijk werkt, maar in het belang van leden, vrijwilligers en de toekomst van de club.
Want trainers komen en gaan en zijn altijd een passant