Weekendvoetbal: KNVB blijft doordrammen terwijl de praktijk anders laat zien
Er zijn van die momenten dat je denkt: kijken we bij de KNVB eigenlijk nog wel naar wat er in de praktijk gebeurt? Of wordt beleid tegenwoordig uitsluitend gemaakt vanuit een bureaustoel in Zeist, ver weg van modderige velden, vrijwilligers die zich uit de naad werken en clubs die al decennialang hun eigen cultuur hebben opgebouwd?

Neem het naderende weekendvoetbal in de tweede en derde klasse van het amateurvoetbal. Volgens Jan Dirk van der Zee is het een prachtige ontwikkeling. In zijn columns klinkt het bijna als een zegen voor het amateurvoetbal: meer flexibiliteit, minder reisafstanden en een competitie die beter aansluit bij de wensen van clubs.
Wie echter een beetje rondkijkt op de velden, merkt al snel dat dat verhaal nogal losjes aan de werkelijkheid hangt.
Want laten we beginnen met dat argument over reisafstanden. Volgens Van der Zee was dat een van de speerpunten van de hervorming: minder kilometers, meer regionale indeling. Klinkt mooi. Maar wie de huidige competities in het jeugdvoetbal bekijkt, ziet het tegenovergestelde gebeuren.
In de derde fase van het jeugdvoetbal speelt bijvoorbeeld een ploeg uit Noord-Groningen, SJO De Marne JO15, in een poule van twaalf teams tegen maar liefst negen Friese tegenstanders. Negen. Dat zijn geen korte ritjes om de hoek, dat zijn serieuze afstanden voor jeugdteams. Hoe valt dat te rijmen met het verhaal dat de bond zo bezig is met het beperken van reisafstanden?

DEEL Indeling SJO De Marne JO15
Voor kleinere verenigingen is dat namelijk helemaal geen detail. Daar rijden geen teammanagers of logistieke coördinatoren rond zoals bij profclubs. Daar zijn het gewoon ouders, trainers of leiders die alles regelen. En vaak spelen diezelfde vrijwilligers op zaterdag zelf ook nog hun eigen wedstrijd. Dan wordt het dus een race tegen de klok om eerst een jeugdteam ergens in Friesland te begeleiden en daarna zelf nog op tijd op het veld te staan.
Maar blijkbaar gelden de principes van de KNVB selectief: bij het standaardvoetbal moet iedereen plots klimaatbewust worden en reisafstanden beperken, terwijl jeugdteams ondertussen het halve noorden van het land doorkruisen.
En dan is er nog het weekendvoetbal zelf. Op papier klinkt het als vrijheid: clubs kunnen in theorie op zaterdag of zondag spelen. In de praktijk komt het er echter vaak op neer dat zondagclubs hun speeldag moeten opgeven wanneer ze tegen een principiële zaterdagclub worden ingedeeld.
Dat is nogal wat.
Er zijn in Nederland namelijk genoeg verenigingen die echte bolwerken van het zondagvoetbal zijn. Clubs waar de hele cultuur rondom die dag draait. De selectie is daarop ingericht, spelers kiezen er bewust voor en ook supporters en vrijwilligers weten precies hoe hun weekend eruitziet.
Die clubs dwingen om op zaterdag te spelen omdat het systeem dat nu eenmaal zo uitkomt, voelt voor velen als een regelrechte aantasting van hun identiteit. En eerlijk gezegd is dat ook niet zo vreemd. Tradities in het amateurvoetbal zijn niet zomaar ontstaan; die zijn in tientallen jaren gegroeid.
Toch lijkt dat in Zeist maar moeilijk door te dringen.
Volgens critici, waaronder voetbalmarketeer Chris Woerts, heeft Van der Zee inmiddels zelfs de bijnaam “Jantje Infantino” gekregen, een knipoog naar Gianni Infantino. Niet bepaald een compliment. De vergelijking verwijst naar bestuurders die met grootse plannen komen, maar soms weinig oog lijken te hebben voor wat er onderaan de piramide gebeurt.
En precies dat gevoel bekruipt veel clubs nu ook weer.
Het weekendvoetbal wordt gepresenteerd als vooruitgang, als modernisering, als iets waar het amateurvoetbal beter van wordt. Maar als je luistert naar wat er op de velden wordt gezegd, hoor je een heel ander geluid. Twijfel, frustratie en soms gewoon pure onbegrip.
Want waarom wordt er niet eerst gekeken naar wat er al misgaat? Neem dat fasevoetbal in de jeugd, waar competities meerdere keren per seizoen opnieuw worden ingedeeld. Op papier bedoeld om wedstrijden spannender en gelijkwaardiger te maken. In de praktijk levert het vaak ingewikkelde indelingen en onlogische reisafstanden op.
Zoals iemand het laatst treffend omschreef: Vaak, meestal zelfs, veranderd het idee van de KNVB in een bureaucratisch gedrocht.
En precies dat gevoel begint nu ook rond het weekendvoetbal te ontstaan.
Niemand is tegen vernieuwing. Het amateurvoetbal verandert nu eenmaal. Spelers werken meer in het weekend, clubs zoeken naar flexibiliteit en competities moeten meebewegen. Maar vernieuwing werkt alleen als die samen met de verenigingen wordt ontwikkels, en niet wanneer die van bovenaf wordt opgelegd.
Misschien zou dat eens het uitgangspunt moeten zijn.
Ga langs bij clubs. Praat met trainers, leiders en vrijwilligers. Kijk hoe een zaterdag er werkelijk uitziet bij een kleine vereniging waar drie mensen het halve jeugdprogramma draaiende houden. En luister naar zondagclubs die hun identiteit willen behouden.
Want zolang de KNVB vooral blijft vertellen hoe goed de plannen zijn, terwijl clubs iets heel anders ervaren, blijft er één conclusie over. Het beleid klinkt misschien logisch op papier, maar op de velden van het amateurvoetbal voelt het vooral als doordrammen.

Neem het naderende weekendvoetbal in de tweede en derde klasse van het amateurvoetbal. Volgens Jan Dirk van der Zee is het een prachtige ontwikkeling. In zijn columns klinkt het bijna als een zegen voor het amateurvoetbal: meer flexibiliteit, minder reisafstanden en een competitie die beter aansluit bij de wensen van clubs.
Wie echter een beetje rondkijkt op de velden, merkt al snel dat dat verhaal nogal losjes aan de werkelijkheid hangt.
Want laten we beginnen met dat argument over reisafstanden. Volgens Van der Zee was dat een van de speerpunten van de hervorming: minder kilometers, meer regionale indeling. Klinkt mooi. Maar wie de huidige competities in het jeugdvoetbal bekijkt, ziet het tegenovergestelde gebeuren.
In de derde fase van het jeugdvoetbal speelt bijvoorbeeld een ploeg uit Noord-Groningen, SJO De Marne JO15, in een poule van twaalf teams tegen maar liefst negen Friese tegenstanders. Negen. Dat zijn geen korte ritjes om de hoek, dat zijn serieuze afstanden voor jeugdteams. Hoe valt dat te rijmen met het verhaal dat de bond zo bezig is met het beperken van reisafstanden?

DEEL Indeling SJO De Marne JO15
Voor kleinere verenigingen is dat namelijk helemaal geen detail. Daar rijden geen teammanagers of logistieke coördinatoren rond zoals bij profclubs. Daar zijn het gewoon ouders, trainers of leiders die alles regelen. En vaak spelen diezelfde vrijwilligers op zaterdag zelf ook nog hun eigen wedstrijd. Dan wordt het dus een race tegen de klok om eerst een jeugdteam ergens in Friesland te begeleiden en daarna zelf nog op tijd op het veld te staan.
Maar blijkbaar gelden de principes van de KNVB selectief: bij het standaardvoetbal moet iedereen plots klimaatbewust worden en reisafstanden beperken, terwijl jeugdteams ondertussen het halve noorden van het land doorkruisen.
En dan is er nog het weekendvoetbal zelf. Op papier klinkt het als vrijheid: clubs kunnen in theorie op zaterdag of zondag spelen. In de praktijk komt het er echter vaak op neer dat zondagclubs hun speeldag moeten opgeven wanneer ze tegen een principiële zaterdagclub worden ingedeeld.
Dat is nogal wat.
Er zijn in Nederland namelijk genoeg verenigingen die echte bolwerken van het zondagvoetbal zijn. Clubs waar de hele cultuur rondom die dag draait. De selectie is daarop ingericht, spelers kiezen er bewust voor en ook supporters en vrijwilligers weten precies hoe hun weekend eruitziet.
Die clubs dwingen om op zaterdag te spelen omdat het systeem dat nu eenmaal zo uitkomt, voelt voor velen als een regelrechte aantasting van hun identiteit. En eerlijk gezegd is dat ook niet zo vreemd. Tradities in het amateurvoetbal zijn niet zomaar ontstaan; die zijn in tientallen jaren gegroeid.
Toch lijkt dat in Zeist maar moeilijk door te dringen.
Volgens critici, waaronder voetbalmarketeer Chris Woerts, heeft Van der Zee inmiddels zelfs de bijnaam “Jantje Infantino” gekregen, een knipoog naar Gianni Infantino. Niet bepaald een compliment. De vergelijking verwijst naar bestuurders die met grootse plannen komen, maar soms weinig oog lijken te hebben voor wat er onderaan de piramide gebeurt.
En precies dat gevoel bekruipt veel clubs nu ook weer.
Het weekendvoetbal wordt gepresenteerd als vooruitgang, als modernisering, als iets waar het amateurvoetbal beter van wordt. Maar als je luistert naar wat er op de velden wordt gezegd, hoor je een heel ander geluid. Twijfel, frustratie en soms gewoon pure onbegrip.
Want waarom wordt er niet eerst gekeken naar wat er al misgaat? Neem dat fasevoetbal in de jeugd, waar competities meerdere keren per seizoen opnieuw worden ingedeeld. Op papier bedoeld om wedstrijden spannender en gelijkwaardiger te maken. In de praktijk levert het vaak ingewikkelde indelingen en onlogische reisafstanden op.
Zoals iemand het laatst treffend omschreef: Vaak, meestal zelfs, veranderd het idee van de KNVB in een bureaucratisch gedrocht.
En precies dat gevoel begint nu ook rond het weekendvoetbal te ontstaan.
Niemand is tegen vernieuwing. Het amateurvoetbal verandert nu eenmaal. Spelers werken meer in het weekend, clubs zoeken naar flexibiliteit en competities moeten meebewegen. Maar vernieuwing werkt alleen als die samen met de verenigingen wordt ontwikkels, en niet wanneer die van bovenaf wordt opgelegd.
Misschien zou dat eens het uitgangspunt moeten zijn.
Ga langs bij clubs. Praat met trainers, leiders en vrijwilligers. Kijk hoe een zaterdag er werkelijk uitziet bij een kleine vereniging waar drie mensen het halve jeugdprogramma draaiende houden. En luister naar zondagclubs die hun identiteit willen behouden.
Want zolang de KNVB vooral blijft vertellen hoe goed de plannen zijn, terwijl clubs iets heel anders ervaren, blijft er één conclusie over. Het beleid klinkt misschien logisch op papier, maar op de velden van het amateurvoetbal voelt het vooral als doordrammen.