Aanstaande fusie FC LEO, Kloosterburen,VVSV’09: Van dorpsclub naar zwerfcircus
De tweede seizoenshelft is begonnen. De velden worden weer wat groener, de wind blijft zoals hij in maart hoort te zijn, soms nog snijdend en meedogenloos , en in de bestuurskamers wordt minstens zo stevig gevoetbald als op het gras. Want met het hervatten van de competitie begint ook een van de mooiste nevenactiviteiten van het amateurvoetbal: het verbazen. Niet het lichte soort, waarbij je glimlachend je wenkbrauw optrekt. Nee, het diepe soort. Het soort waarbij je hoofd langzaam heen en weer gaat en je mompelt: dit kan toch niet waar zijn. En toch is het elke week weer raak.

Op maandag 2 maart besteedde Noord Sport uitgebreid aandacht aan de aanstaande fusie tussen FC LEO, Kloosterburen en VVSV’09. Een onderwerp dat in de regio al een groot aantal maanden gespreksonderwerp is. In het sportprogramma mocht ik ook wat “duiden”, zoals dat tegenwoordig heet. Een prachtig woord voor gewoon zeggen wat je ervan vindt.
Ik ben geen vaste kijker van het sportprogramma, maar werd er ’s avonds op geattendeerd. Dus toch maar even teruggekeken. De beelden waren prima. Mijn bijdrage kwam keurig in beeld. Daar lag het niet aan. Maar naarmate het item vorderde, voelde ik mijn veters strak trekken van verbazing.
Want daar kwamen ook Koos Wiersema aan het woord, overkoepelend voorzitter van werk- en stuurgroepen, en wethouder sportzaken Hansems. Twee mensen met verantwoordelijkheid. Twee mensen die het verschil kunnen maken in een dossier dat de sportieve toekomst van drie dorpen raakt. Maar wat ik hoorde, stemde me niet gerust.
Over de beoogde fusiedatum van 1 juli 2026 wilde Wiersema geen uitspraak doen. Geen bevestiging, geen duidelijke stip op de horizon. En de wethouder sprak over een “stevige uitdaging” als het ging om een nieuw sportcomplex in de regio Leens, Kloosterburen en Ulrum. Dat zijn woorden die je vaker hoort als er nog geen geld , plan of prioriteit is.
Een stevige uitdaging. Het klinkt daadkrachtig, maar vaak voelt dat als uitstel.
Dat betekent dus dat de fusieclub, als die er komt, de komende jaren mag pendelen. Met seniorenteams van Kloosterburen naar Leens. Van Leens naar Ulrum. Drie dorpen, drie complexen, drie keer vrijwilligers, drie keer kantines die hopen op een beetje leven in de brouwerij. En spelers die na hun werk niet alleen hun tas moeten pakken, maar ook hun ‘’navigatie’.
Wat dat betekent, weten ze in Ulrum als geen ander. Daar is in het verleden de fusie tussen UVV’70 en Zeester mede gestrand op dat gependel. Een fusieclub op meerdere complexen kan hooguit een tijdelijke tussenstap zijn. Een overbrugging. Geen eindstation. In mijn beleving mag dat nooit langer dan drie jaar duren. Daarna moet er duidelijkheid zijn. Anders vreet het energie. Van spelers, vrijwilligers en aan draagvlak.
Een fusie is al ingewikkeld genoeg. Je vraagt mensen afscheid te nemen van hun eigen veld. Hun eigen kleedkamer. Hun vaste plek aan de bar. Dat doe je niet zomaar. Dat doe je omdat er een toekomst tegenover staat.
En precies daar ligt het probleem.
Natuurlijk is het voor de gemeente Het Hogeland een uitdaging. De voormalige gemeente De Marne is niet dichtbevolkt. De afstanden zijn groter dan in een stad. Maar er wonen wel degelijk mensen. Mensen die willen sporten. Kinderen die hun eerste sliding willen maken. Ouders die langs de lijn willen staan. Vrijwilligers die hun zaterdag willen geven aan iets wat groter is dan henzelf.
Een voetbalclub is geen kostenpost. Het is een ontmoetingsplek. Een plek waar nieuwkomers aansluiting vinden en waar ouderen betrokken blijven. Het is verbinding in zijn puurste vorm.
Bij een fusie verandert die verbinding. Dat is onvermijdelijk. De kleuren veranderen. Het logo verandert. De tegenstander blijft, maar het shirt voelt anders. Juist daarom is het essentieel dat er een stevig fundament onder ligt. Een toekomstbestendig sportcomplex dat symbool staat voor die nieuwe start.
De wethouder mag terughoudend zijn in haar woorden. Dat hoort bij haar rol. Maar terughoudendheid mag geen synoniem worden voor afwachten. Want als je drie verenigingen vraagt om hun identiteit in te leveren voor één gezamenlijke toekomst, dan moet je als gemeente ook iets teruggeven.
Ik moest denken aan iets eenvoudigs. Aan kleinkinderen. Wie kleinkinderen heeft, weet dat je ze soms maandelijks een vast bedrag geeft voor hun spaarrekening. Niet omdat ze daar morgen al iets van kopen. Maar omdat je investeert in hun toekomst. Omdat je wilt dat ze later iets hebben om op te bouwen.
Dat gevoel mis ik soms bij de gemeente Het Hogeland. Het lijkt meer op ongelijk verdelen dan op samen opbouwen. Alsof sommige kernen vanzelfsprekend meer krijgen dan andere. Terwijl sport in kleine dorpen misschien nog wel belangrijker is dan in grotere plaatsen op ook Het Hogeland.
Met een fusie neem je afscheid van voetballen in eigen dorp. Voor de één is dat makkelijker dan voor de ander. Maar iedereen voelt dat het iets kost. Daarom moet het ook iets opleveren.
Een nieuw sportcomplex is geen luxe. Het is de voorwaarde voor succes. Het is de plek waar nieuwe tradities ontstaan. Waar oude verhalen opnieuw worden verteld. Waar kinderen straks niet meer zeggen: “Ik speel bij LEO of VVSV”, maar gewoon trots de naam van hun nieuwe club dragen vv De Marne. En gebeurt dat niet op een nieuw complex dan blijven we ons verbazen over het onbegrip van de politiek. En eerlijk is eerlijk: verbazen doen we ons in het amateurvoetbal al meer dan genoeg.