Fasevoetbal in de bovenbouw: een mislukking vermomd als vooruitgang

Geschreven door Johan Staal op . Geplaatst in Columns



Het was een doodgewone zaterdagmorgen toen ik door RTV Noord werd gevraagd om mijn licht te laten schijnen over de aanstaande fusie tussen FC LEO, Kloosterburen en VVSV’09. Een fusie die symbool staat voor hoe kwetsbaar het amateurvoetbal in onze regio inmiddels is geworden. Minder leden, minder vrijwilligers, hogere kosten. Maar wat ik die ochtend tegenkwam, was misschien nog wel schrijnender dan dalende ledentallen: het zoveelste bewijs dat de bovenbouw van het jeugdvoetbal is verworden tot een bestuurlijk experiment zonder oog voor realiteit.

jopie 2
Het item werd deels opgenomen in Ulrum, rond het duel tussen de JO15-teams van SJO De Marne en Gorredijk. Omdat ik toch iets wilde weten van beide teams, dook ik vooraf even in de cijfers. Op Voetbal.nl zocht ik de resultaten op. Wat ik daar aantrof, was geen competitieoverzicht, maar een organisatorische puinhoop.

Fase twee? Door vijf van de acht teams niet eens uitgespeeld. Fase drie? Gewoon is een poule van twaalf ploegen geworden. Twaalf. In een systeem dat ooit werd verkocht als eerlijker, uitdagender en beter afgestemd op niveau.

Wie dit heeft bedacht, heeft nog nooit op een gure zaterdagmorgen op een tochtig sportpark gestaan.

Alsof dat niet genoeg is, wordt een wedstrijd als SJO De Marne – Niekerk op een doordeweekse woensdag om 19.30 uur in Leens ingepland. In maart. Voor JO15. Jongens van veertien, vijftien jaar. Die de volgende ochtend gewoon naar school moeten.

En dan die kalender. Een poule waarin elk team elf keer speelt, met als laatste speeldag 16 mei. 16 mei! De periode waarin de velden er eindelijk weer fatsoenlijk bij liggen. Waarin het zonnetje doorkomt. Waarin voetbal op z’n mooist is. Tegen die tijd zijn sommige teams al weken klaar. Ritme weg. Motivatie weg. Seizoen doodgebloed.

Vorige week zei Kjell Nuis bij Vandaag Inside dat er bij de KNSB een paar rondlopen die niet helemaal sporen. Hij kreeg half Nederland over zich heen, maar ergens snapte ik zijn frustratie wel. Alleen had hij het net zo goed over de KNVB kunnen hebben.

Want wat daar wordt bekokstoofd onder de noemer “fasevoetbal” is een systeem dat volledig voorbijgaat aan de realiteit van het amateurvoetbal buiten de Randstad.

Jeugdteams worden in de wintermaanden het veld op gestuurd, wanneer de helft van de wedstrijden eruit vriest of wordt afgelast vanwege wateroverlast. Kunstgras is geen vanzelfsprekendheid in dorpen als Leens, Ulrum of Kloosterburen. Velden zijn drassig, kleedkamers koud, schema’s onhaalbaar. En wanneer het voorjaar eindelijk aanbreekt, wanneer het spel eindelijk vloeit, wanneer ouders weer met plezier langs de lijn staan, is het seizoen praktisch voorbij.

Maar het grootste manco zit ergens anders.

Fasevoetbal pretendeert niveaus beter op elkaar af te stemmen. Vier blokken per seizoen, telkens herindelen op basis van prestaties. In theorie klinkt het prachtig. In praktijk betekent het dat je als team na een paar goede of slechte weken ineens structureel verkeerd zit. Te hoog of te laag. En dat wekenlang.

Ik heb zaterdag een jeugdwedstrijd gezien en wist na twintig minuten genoeg. De verliezer van die middag gaat de komende fase nauwelijks punten pakken. Dat zag je aan alles: fysiek verschil, tempo, duelkracht. Dat team wordt de puntenleverancier van de poule. Niet omdat die jongens en meisjes hun best niet doen, maar omdat het systeem ze daar neerzet.

En ja, ook in een klassieke competitie heb je kampioenen en hekkensluiters. Maar dan speel je tenminste tegen clubs uit de regio. Dan fiets je eens naar de tegenstander. Dan rijd je hooguit twintig minuten. Dan kennen ouders elkaar, ontstaan rivaliteiten, bouw je iets op.

Nu? Voor SJO De Marne meerdere keren naar Friesland. Meer dan een uur in de auto voor een uitwedstrijd van zestig minuten. Benzineprijzen die door het dak gaan. Vrijwilligers die hun zaterdag opofferen om kilometers te maken voor een wedstrijd waarvan je vooraf al weet dat het krachtsverschil enorm is.

Dat is geen ontwikkeling. Dat is ontmoediging.

En laten we eerlijk zijn: in dorpen waar fusies onvermijdelijk worden omdat de aanwas terugloopt, is dit het laatste wat je nodig hebt. Clubs die worstelen om teams op de been te houden, krijgen er logistieke en organisatorische hoofdpijn bij cadeau. Het gevolg? Nog meer afhakers. Nog minder binding. Nog minder plezier.

Bestuurders zullen wijzen op data, op evaluaties, op tevredenheidsonderzoeken. Maar cijfers vertellen niet wat er langs de lijn gebeurt. Ze meten geen teleurstelling van een jongen die vier keer met dubbele cijfers verliest. Ze registreren niet de vermoeidheid van ouders die doordeweeks naar inhaalwedstrijden moeten racen. Ze zien niet hoe vrijwilligers steeds vaker denken: waar doen we het nog voor?

In de bovenbouw, waar verschillen in fysieke ontwikkeling groot zijn, waar school, bijbanen en sociale druk toenemen, moet je stabiliteit bieden. Ritme. Duidelijkheid. Een seizoen dat logisch in elkaar steekt. Geen gefragmenteerd systeem waarin niemand nog precies weet waar hij aan toe is.

Stop daarom met fasevoetbal in de bovenbouw. Keer terug naar een regionale, doorlopende competitie. Accepteer dat niet elke wedstrijd spannend is. Dat hoort bij sport. Maar zorg dat het uitvoerbaar, betaalbaar en herkenbaar blijft.

Want als je het amateurvoetbal blijft behandelen als een experimenteerlab, dan hoef je straks geen fusies meer te begeleiden. Dan fuseren clubs niet uit keuze, maar uit pure noodzaak. Of erger: dan verdwijnen ze. En dan kun je nog zoveel fases bedenken, maar zonder clubs is er niets meer om in te delen.