'Bestuursfunctie Bietsj bij Yde de Punt en Usquert ?
Het was zondagmiddag, zo’n dag waarop zelfs de thermometer het opgeeft en besluit dat min zeven in de nacht ook gewoon min Siberië genoemd mag worden. Terwijl ik mezelf in lagen hulde waar een gemiddelde poolreiziger jaloers op zou zijn – polo, trui, gewatteerd vest, winterjas , dacht ik nog: er zijn grenzen. Grenzen aan kou. Grenzen aan gezond verstand. Grenzen aan wat je een mens in hemelsnaam aandoet voor een potje in de vijfde klasse.

Het was zondagmiddag, zo’n dag waarop zelfs de thermometer het opgeeft en besluit dat min zeven ook gewoon min Siberië genoemd mag worden. Terwijl ik mezelf in lagen hulde waar een gemiddelde poolreiziger jaloers op zou zijn – polo, trui, gewatteerd vest, winterjas – dacht ik nog: er zijn grenzen. Grenzen aan kou. Grenzen aan gezond verstand. Grenzen aan wat je een mens in hemelsnaam aandoet voor een potje vijfde klasse.
Maar niet in Yde. En ook niet in Usquert.
Nee, daar dacht men: “Min zeven? Ach, voelt als min vier met een beetje positiviteit.”
Terwijl ik met Bietsj ,een hond met meer realiteitszin dan menig bestuurder ,besloot tot het kleine rondje van nog geen twee kilometer, werden er elders grootse besluiten genomen. Want waarom zou je luisteren naar krakende grassprieten, bevroren dug-outs en toeschouwers die hun wenkbrauwen als ijspegels bij zich droegen, als je ook gewoon kunt zeggen: we spelen.
Bij Yde de Punt moet het bestuur die ochtend ongetwijfeld bijeen zijn gekomen rond een kop koffie die binnen dertig seconden een ijskoffie werd. Iemand zal voorzichtig hebben opgemerkt: “Zeg, het is wel koud.” Waarop een ander, waarschijnlijk met een sjaal tot over de ogen, antwoordde: ‘’Het veld kan wel wat hebben.” Maar geldt dat ook voor toeschouwers. Op foto’s leek het duel tegen Alteveer meer op een expeditie richting de Noordpool. Mensen stonden langs de lijn in outfits die normaal gesproken alleen bij Elfstedentochten of mislukte wintersportvakanties worden gedragen. Je verwacht elk moment dat iemand een wak in het strafschopgebied hakt om een hengeltje uit te gooien.
En dan die dappere spelers. Jongens die normaal al klagen bij een frisse herfstdag, stonden nu met rode neuzen en handen die eerder aan knakworsten deden denken dan aan ledematen. Elke sliding eindigde vermoedelijk met een geluid alsof iemand een diepvriespizza over beton schoof. De scheidsrechter? Die floot waarschijnlijk vooral om zelf warm te blijven.
Maar het absolute hoogtepunt van winterse overmoed kwam toch uit Usquert, waar men trots meldde dat de ‘veldverwarming’ zijn werk had gedaan. Veldverwarming. Het klinkt als iets wat je verwacht bij Real Madrid, niet bij een sportpark waar de koffieautomaat het al zwaar krijgt bij lichte vorst.
Ik zie het al voor me. Een vrijwilliger die ’s nachts om drie uur in thermopak het veld inspecteert, gewapend met een föhn en een verlengsnoer van vijftig meter. “Nog even hier langs de middencirkel! Hij voelt nog wat fris aan!”
Men zal elkaar op de schouders hebben geklopt. “Zie je wel, het kan gewoon.” Ondertussen stond de thermometer in de regio, ergens tussen Winsum en Ezinge, rond 11 uur in de ochtend nog koppig onder nul. Maar details mogen de pret niet drukken.
Voor wie en waarom er zo nodig gevoetbald moest worden, blijft een mysterie. Was er een prijs te winnen? Een kampioenschap dat anders verloren zou gaan aan de dooi? Of was het simpelweg een kwestie van: “We hebben het ingepland, dus we gaan.” Alsof Moeder Natuur even netjes haar agenda had moeten checken.
In de vijfde klasse. De vijfde klasse! Het niveau waar plezier, derde helften en gehaktballen in de kantine minstens zo belangrijk zijn als de stand op de ranglijst. Waar een afgelasting doorgaans wordt ontvangen met een schouderophalen.
Maar nee. Hier werd gestreden. Niet alleen tegen de tegenstander, maar vooral tegen bevriezing. Supporters mochten blij zijn dat de kantine verwarmd was. Dat was vermoedelijk de enige plek waar nog bloed door de aderen stroomde. Langs de lijn was het,om het netjes te houden, drie letters met peren.
En stel je even de kleedkamer voor na afloop. Douches die eerst tien minuten moeten nadenken voordat er lauw water verschijnt. Spelers die hun veters niet los krijgen omdat hun vingers dienst hebben geweigerd. Een verzorger die met een kruik rondloopt alsof hij EHBO verleent bij een poolonderzoek.
Het mooiste is misschien nog wel de morele overwinning die men zichzelf toedicht. “Wij laten ons niet tegenhouden door een beetje kou.” Alsof het hier ging om een heroïsche veldslag en niet om een competitieduel waar volgende week niemand het nog over heeft.
En begrijp me niet verkeerd: ik houd van voetbal. Ik sta er graag langs, zelfs als de wind guur is en de koffie matig. Maar er is een verschil tussen karakter tonen en koppigheid verheffen tot kunstvorm.
Zelfs Bietsj had het begrepen. Die keek me aan bij de voordeur met een blik van: “We houden het kort vandaag, toch?” Een hond die snapt dat comfort soms wint van ambitie. Misschien moet hij zich verkiesbaar stellen voor het bestuurvan beide clubs
Want als je bij min zeven besluit dat een grasmat prima bespeelbaar is dan is er iets bijzonders aan de hand. Misschien moeten we het positief zien. Er zijn herinneringen gemaakt. Verhalen voor later. “Weet je nog, die wedstrijd in Yde? Dat de cornervlag vastgevroren stond?” Of: “Die keer in Usquert dat de bal harder was dan de lat?”
Ja, ze hebben gevoetbald. Tegen beter weten in. Tegen de elementen. Tegen elke logische gedachte die zei: jongens, doe rustig aan. Maar de echte winnaars van die zondag? Dat waren de mensen die, zoals ik,die thuisbleven. Met een warme thee en daardoor warme botten En Bietsj natuurlijk. Die na nog geen twee kilometer tevreden omdraaide, zijn staart kwispelend als stille boodschap aan alle bestuurders in het land: soms is de kleine ronde gewoon de verstandigste keuze en ga je niet tegen beter weten de wei in .

Het was zondagmiddag, zo’n dag waarop zelfs de thermometer het opgeeft en besluit dat min zeven ook gewoon min Siberië genoemd mag worden. Terwijl ik mezelf in lagen hulde waar een gemiddelde poolreiziger jaloers op zou zijn – polo, trui, gewatteerd vest, winterjas – dacht ik nog: er zijn grenzen. Grenzen aan kou. Grenzen aan gezond verstand. Grenzen aan wat je een mens in hemelsnaam aandoet voor een potje vijfde klasse.
Maar niet in Yde. En ook niet in Usquert.
Nee, daar dacht men: “Min zeven? Ach, voelt als min vier met een beetje positiviteit.”
Terwijl ik met Bietsj ,een hond met meer realiteitszin dan menig bestuurder ,besloot tot het kleine rondje van nog geen twee kilometer, werden er elders grootse besluiten genomen. Want waarom zou je luisteren naar krakende grassprieten, bevroren dug-outs en toeschouwers die hun wenkbrauwen als ijspegels bij zich droegen, als je ook gewoon kunt zeggen: we spelen.
Bij Yde de Punt moet het bestuur die ochtend ongetwijfeld bijeen zijn gekomen rond een kop koffie die binnen dertig seconden een ijskoffie werd. Iemand zal voorzichtig hebben opgemerkt: “Zeg, het is wel koud.” Waarop een ander, waarschijnlijk met een sjaal tot over de ogen, antwoordde: ‘’Het veld kan wel wat hebben.” Maar geldt dat ook voor toeschouwers. Op foto’s leek het duel tegen Alteveer meer op een expeditie richting de Noordpool. Mensen stonden langs de lijn in outfits die normaal gesproken alleen bij Elfstedentochten of mislukte wintersportvakanties worden gedragen. Je verwacht elk moment dat iemand een wak in het strafschopgebied hakt om een hengeltje uit te gooien.
En dan die dappere spelers. Jongens die normaal al klagen bij een frisse herfstdag, stonden nu met rode neuzen en handen die eerder aan knakworsten deden denken dan aan ledematen. Elke sliding eindigde vermoedelijk met een geluid alsof iemand een diepvriespizza over beton schoof. De scheidsrechter? Die floot waarschijnlijk vooral om zelf warm te blijven.
Maar het absolute hoogtepunt van winterse overmoed kwam toch uit Usquert, waar men trots meldde dat de ‘veldverwarming’ zijn werk had gedaan. Veldverwarming. Het klinkt als iets wat je verwacht bij Real Madrid, niet bij een sportpark waar de koffieautomaat het al zwaar krijgt bij lichte vorst.
Ik zie het al voor me. Een vrijwilliger die ’s nachts om drie uur in thermopak het veld inspecteert, gewapend met een föhn en een verlengsnoer van vijftig meter. “Nog even hier langs de middencirkel! Hij voelt nog wat fris aan!”
Men zal elkaar op de schouders hebben geklopt. “Zie je wel, het kan gewoon.” Ondertussen stond de thermometer in de regio, ergens tussen Winsum en Ezinge, rond 11 uur in de ochtend nog koppig onder nul. Maar details mogen de pret niet drukken.
Voor wie en waarom er zo nodig gevoetbald moest worden, blijft een mysterie. Was er een prijs te winnen? Een kampioenschap dat anders verloren zou gaan aan de dooi? Of was het simpelweg een kwestie van: “We hebben het ingepland, dus we gaan.” Alsof Moeder Natuur even netjes haar agenda had moeten checken.
In de vijfde klasse. De vijfde klasse! Het niveau waar plezier, derde helften en gehaktballen in de kantine minstens zo belangrijk zijn als de stand op de ranglijst. Waar een afgelasting doorgaans wordt ontvangen met een schouderophalen.
Maar nee. Hier werd gestreden. Niet alleen tegen de tegenstander, maar vooral tegen bevriezing. Supporters mochten blij zijn dat de kantine verwarmd was. Dat was vermoedelijk de enige plek waar nog bloed door de aderen stroomde. Langs de lijn was het,om het netjes te houden, drie letters met peren.
En stel je even de kleedkamer voor na afloop. Douches die eerst tien minuten moeten nadenken voordat er lauw water verschijnt. Spelers die hun veters niet los krijgen omdat hun vingers dienst hebben geweigerd. Een verzorger die met een kruik rondloopt alsof hij EHBO verleent bij een poolonderzoek.
Het mooiste is misschien nog wel de morele overwinning die men zichzelf toedicht. “Wij laten ons niet tegenhouden door een beetje kou.” Alsof het hier ging om een heroïsche veldslag en niet om een competitieduel waar volgende week niemand het nog over heeft.
En begrijp me niet verkeerd: ik houd van voetbal. Ik sta er graag langs, zelfs als de wind guur is en de koffie matig. Maar er is een verschil tussen karakter tonen en koppigheid verheffen tot kunstvorm.
Zelfs Bietsj had het begrepen. Die keek me aan bij de voordeur met een blik van: “We houden het kort vandaag, toch?” Een hond die snapt dat comfort soms wint van ambitie. Misschien moet hij zich verkiesbaar stellen voor het bestuurvan beide clubs
Want als je bij min zeven besluit dat een grasmat prima bespeelbaar is dan is er iets bijzonders aan de hand. Misschien moeten we het positief zien. Er zijn herinneringen gemaakt. Verhalen voor later. “Weet je nog, die wedstrijd in Yde? Dat de cornervlag vastgevroren stond?” Of: “Die keer in Usquert dat de bal harder was dan de lat?”
Ja, ze hebben gevoetbald. Tegen beter weten in. Tegen de elementen. Tegen elke logische gedachte die zei: jongens, doe rustig aan. Maar de echte winnaars van die zondag? Dat waren de mensen die, zoals ik,die thuisbleven. Met een warme thee en daardoor warme botten En Bietsj natuurlijk. Die na nog geen twee kilometer tevreden omdraaide, zijn staart kwispelend als stille boodschap aan alle bestuurders in het land: soms is de kleine ronde gewoon de verstandigste keuze en ga je niet tegen beter weten de wei in .