Voor wie doen we dit eigenlijk? Voor de trots van de bestuurder ?
Dit is mij in bijna negentien jaar verslaggeverschap nog nooit overkomen. Dat ik blij was dat ‘mijn’ wedstrijd was afgelast. Niet omdat ik bang ben voor een beetje kou, verslaggevers zijn geen porseleinen poppetjes, maar omdat gezond verstand eindelijk eens won van koppigheid, regeltjes en bestuurlijke borstklopperij..

Een gevoelstemperatuur van min negen. Geen typefout. Min. Negen.
En toch werd er gevoetbald. Althans, op sommige plekken. Want terwijl in de derde, vierde en vijfde klasse het collectieve brein kennelijk wél werkte, besloten een aantal clubs in de eerste en tweede klasse dat het “prima te doen” was.
Prima voor wie, precies.Die vraag hoorde ik dit weekend vaker dan het rammelen van de ruiten.
Voor wie doen we dit eigenlijk?
Een vraag die pijnlijk veel zegt. Want laten we eerlijk zijn: niemand stond vrijdagavond of zaterdagmorgen op met het idee “wat heerlijk, vandaag een potje voetballen bij een gevoelstemperatuur van -9, laat ik er van genieten.”
Niet de spelers. Niet de trainers. Niet de grensrechters met vingers die na tien minuten aanvoelden als diepvrieserwten of de scheids die bang was om een ijskoude fluit met zijn lippen te beroeren.
En al helemaal niet de supporters, die, laten we dat niet vergeten, wél een keuze hebben door NIET te gaan.
Die keuze hebben spelers en stafleden namelijk niet. Of nou ja… officieel niet. Want wie in deze regio ooit heeft meegemaakt wat er gebeurt als je “niet zo lekker” bent terwijl de wedstrijd “gewoon doorgaat”, weet hoe snel je van teamspeler tot zeurpiet promoveert.
Dus ja, ook ik was gegaan. Net zoals ik al bijna negentien jaar ga.
Want als je op maandag iets belooft aan de redactie, dan kom je. Punt.
Maar dat maakt het nog niet verstandig. In grote delen van onze regio werd terecht gezegd: “Dit is geen voetbalweer.” Niet omdat men daar softer is, maar omdat men daar blijkbaar nog weet dat voetbal een sport is en geen winterse overlevingstocht.
En toen gebeurde het.
Alsof de kou in onze regio netjes een dorp had overgeslagen, werd met tromgeroffel en lichte euforie aangekondigd dat het middagprogramma gewoon doorging. Grote opluchting bij bestuurders, vermoedelijk warm genesteld achter een bureau met koffie.
Waarom die wedstrijden doorgingen? Ach, laten we eens creatief meedenken.
– Anders zijn de gehaktballen over datum
– De consul van dienst moet anders met echtgenote nog langs IKEA
– De tegenstander zat toevallig in zwaar weer dus gloren er punten aan de horizon
– Of: “het is nu eenmaal de eerste/tweede klasse, hè”en dan kunnen we eerder voetballen dan die ‘mietjes’ in de 3e , 4e en 5e klas,
Want dát is misschien wel het meest bizarre van anders denken : hoe hoger het niveau, hoe lager het gezonde verstand.
In de derde, vierde en vijfde klasse lukte het clubs prima om te zeggen: “Dit slaat nergens op.”
Maar in de eerste en tweede klasse werd blijkbaar gedacht dat spelers daar beter bestand zijn tegen kou. Of dat spieren in die klassen anders werken. Of dat ‘bevroren’ longen minder erg zijn als je op papier een niveautje hoger speelt.
Of, en dat lijkt steeds waarschijnlijker, dat sommige bestuurders gewoon graag laten zien dat zij “niet bang zijn”.
Niet bang waarvoor, eigenlijk?
Voor kritiek?
Voor een afgelasting?
Voor het idee dat iemand zou kunnen denken dat ze niet daadkrachtig zijn?
Want laten we wel wezen: het door laten gaan van een wedstrijd bij een gevoelstemperatuur van -9 is geen daadkracht. Het is bestuurlijke ijdelheid vermomd als ruggengraat.
“De spelers kunnen toch handschoenen aan?” Ja, en misschien ook een bivakmuts, een thermopak en een EHBO’er met ervaring in onderkoeling. “Ze wilden zelf spelen.”
“De consul heeft het veld goedgekeurd.”
Fantastisch. Het veld, ja. Niet de omstandigheden. Niet de spieren. Niet de longen. Niet het risico op blessures die weken kunnen doorwerken.
En dan is er nog de vraag waar het allemaal om zou moeten draaien:
de toeschouwers.
Die kwamen mondjesmaat. Logisch.
Want wie gaat er vrijwillig langs de lijn staan bij -9 om een wedstrijd te zien die na twintig minuten verandert in een survivaltocht met lange ballen en bevroren hamstrings?
Maar misschien gaat het daar ook al lang niet meer om.
Misschien wordt er niet meer gevoetbald voor de spelers.
Niet voor de supporters.
Niet voor het spel.
Misschien wordt er gevoetbald voor de bestuurder die maandag wil kunnen zeggen: “Bij ons ging het gewoon door.”
En dát is misschien wel het koudste besef van dit hele weekend.
Dat gezond verstand niet verdwijnt door vorst, maar door trots.
En dat sommige clubs liever gelijk krijgen dan gelijk hebben.
Voor wie doen we dit eigenlijk?
Als het antwoord niet luid en duidelijk “voor de mensen op het veld en langs de lijn” is, dan wordt het misschien tijd dat sommige bestuurders eens goed nadenken,liefst vóórdat de volgende koudegolf komt.
Want voetbal mag best hard zijn.
Maar het hoeft niet ijzig dom te zijn.

Een gevoelstemperatuur van min negen. Geen typefout. Min. Negen.
En toch werd er gevoetbald. Althans, op sommige plekken. Want terwijl in de derde, vierde en vijfde klasse het collectieve brein kennelijk wél werkte, besloten een aantal clubs in de eerste en tweede klasse dat het “prima te doen” was.
Prima voor wie, precies.Die vraag hoorde ik dit weekend vaker dan het rammelen van de ruiten.
Voor wie doen we dit eigenlijk?
Een vraag die pijnlijk veel zegt. Want laten we eerlijk zijn: niemand stond vrijdagavond of zaterdagmorgen op met het idee “wat heerlijk, vandaag een potje voetballen bij een gevoelstemperatuur van -9, laat ik er van genieten.”
Niet de spelers. Niet de trainers. Niet de grensrechters met vingers die na tien minuten aanvoelden als diepvrieserwten of de scheids die bang was om een ijskoude fluit met zijn lippen te beroeren.
En al helemaal niet de supporters, die, laten we dat niet vergeten, wél een keuze hebben door NIET te gaan.
Die keuze hebben spelers en stafleden namelijk niet. Of nou ja… officieel niet. Want wie in deze regio ooit heeft meegemaakt wat er gebeurt als je “niet zo lekker” bent terwijl de wedstrijd “gewoon doorgaat”, weet hoe snel je van teamspeler tot zeurpiet promoveert.
Dus ja, ook ik was gegaan. Net zoals ik al bijna negentien jaar ga.
Want als je op maandag iets belooft aan de redactie, dan kom je. Punt.
Maar dat maakt het nog niet verstandig. In grote delen van onze regio werd terecht gezegd: “Dit is geen voetbalweer.” Niet omdat men daar softer is, maar omdat men daar blijkbaar nog weet dat voetbal een sport is en geen winterse overlevingstocht.
En toen gebeurde het.
Alsof de kou in onze regio netjes een dorp had overgeslagen, werd met tromgeroffel en lichte euforie aangekondigd dat het middagprogramma gewoon doorging. Grote opluchting bij bestuurders, vermoedelijk warm genesteld achter een bureau met koffie.
Waarom die wedstrijden doorgingen? Ach, laten we eens creatief meedenken.
– Anders zijn de gehaktballen over datum
– De consul van dienst moet anders met echtgenote nog langs IKEA
– De tegenstander zat toevallig in zwaar weer dus gloren er punten aan de horizon
– Of: “het is nu eenmaal de eerste/tweede klasse, hè”en dan kunnen we eerder voetballen dan die ‘mietjes’ in de 3e , 4e en 5e klas,
Want dát is misschien wel het meest bizarre van anders denken : hoe hoger het niveau, hoe lager het gezonde verstand.
In de derde, vierde en vijfde klasse lukte het clubs prima om te zeggen: “Dit slaat nergens op.”
Maar in de eerste en tweede klasse werd blijkbaar gedacht dat spelers daar beter bestand zijn tegen kou. Of dat spieren in die klassen anders werken. Of dat ‘bevroren’ longen minder erg zijn als je op papier een niveautje hoger speelt.
Of, en dat lijkt steeds waarschijnlijker, dat sommige bestuurders gewoon graag laten zien dat zij “niet bang zijn”.
Niet bang waarvoor, eigenlijk?
Voor kritiek?
Voor een afgelasting?
Voor het idee dat iemand zou kunnen denken dat ze niet daadkrachtig zijn?
Want laten we wel wezen: het door laten gaan van een wedstrijd bij een gevoelstemperatuur van -9 is geen daadkracht. Het is bestuurlijke ijdelheid vermomd als ruggengraat.
“De spelers kunnen toch handschoenen aan?” Ja, en misschien ook een bivakmuts, een thermopak en een EHBO’er met ervaring in onderkoeling. “Ze wilden zelf spelen.”
“De consul heeft het veld goedgekeurd.”
Fantastisch. Het veld, ja. Niet de omstandigheden. Niet de spieren. Niet de longen. Niet het risico op blessures die weken kunnen doorwerken.
En dan is er nog de vraag waar het allemaal om zou moeten draaien:
de toeschouwers.
Die kwamen mondjesmaat. Logisch.
Want wie gaat er vrijwillig langs de lijn staan bij -9 om een wedstrijd te zien die na twintig minuten verandert in een survivaltocht met lange ballen en bevroren hamstrings?
Maar misschien gaat het daar ook al lang niet meer om.
Misschien wordt er niet meer gevoetbald voor de spelers.
Niet voor de supporters.
Niet voor het spel.
Misschien wordt er gevoetbald voor de bestuurder die maandag wil kunnen zeggen: “Bij ons ging het gewoon door.”
En dát is misschien wel het koudste besef van dit hele weekend.
Dat gezond verstand niet verdwijnt door vorst, maar door trots.
En dat sommige clubs liever gelijk krijgen dan gelijk hebben.
Voor wie doen we dit eigenlijk?
Als het antwoord niet luid en duidelijk “voor de mensen op het veld en langs de lijn” is, dan wordt het misschien tijd dat sommige bestuurders eens goed nadenken,liefst vóórdat de volgende koudegolf komt.
Want voetbal mag best hard zijn.
Maar het hoeft niet ijzig dom te zijn.