Laat ze niet trainen door iemand met een lange jas, spijkerbroek en met bont gevoerde laarzen

Geschreven door Johan Staal op . Geplaatst in Columns

Op 28 juni 20 14 schreef ik artikel ‘Te jonge trainers vaak 'doodsteek' jeugdvoetbal’. Een artikel waarin ik het trainen van de jeugd door soms (te) jonge trainers geen goede zaak vond. Niet omdat de jonge trainer, of trainster, er met de pet naar gooit maar meer omdat het verzorgen van een training niet iets is wat je er ‘even’ bijdoet.
johan20staal20puurvoetbalonline
Vaak hoor je geluiden van, er moet meer in de jeugd geïnvesteerd worden. De club kan beter een jeugdtrainer aanstellen dan een dure hoofdtrainer. De eerste opmerking klopt, veel verenigingen moeten zeker meer in de jeugd investeren. Verenigingen die als ze op dezelfde voet verder gaan dan ze nu doen zich langzaam maar zeker naar de afgrond laten duwen. Enkele maanden geleden was ik bij toeval op een complex waar de B en C-junioren van de desbetreffende vereniging ‘druk’ waren. Druk met van alles behalve met dat waar ze in mijn ogen toch voor naar een training waren gekomen, oefeningen doen om je individueel en als team beter te maken.

Waar de trainer van de B-junioren nog in trainingspak voor de groep stond bakte de trainer van de C-junioren het helemaal bruin. Een lange jas, spijkerbroek en bruine gevoerde laarzen waren de outfit waarin deze trainer het druk had. Hij was namelijk het aanspeelpunt in een oefening waar een beetje voetballer niet vrolijk van wordt. In een rij staan, trainertje aanspelen en afwerken op een (te) klein leeg doel. Wat zich liet raden gebeurde ook. Oubolligheid troef en de schoten die raak waren mochten als even zeldzaam worden beschouwd als dat er mannetjes op de maan lopen.

Zo maar een voorbeeld van een trainingsavond bij een willekeurige vereniging wat helaas geen uitzondering zijn. Geen uitzondering omdat niet iedereen geschikt is om een jeugdtraining te verzorgen. Daar komt namelijk wel iets meer voor kijken dan het verzorgen van een les in bezigtherapie zoals een ouder iemand de verrichtingen van de jeugd en trainers ook volgde de activiteiten noemde. ‘Ze leren helemaal niets was zijn antwoord. ‘Het is dat ik het qua leeftijd en fysiek ongemak niet meer kan maar ik zou het absoluut beter doen.”

Ik moet zeggen, dat kon snel want ook het daarop volgend partijspel was van een matig niveau. Dat kwam mede doordat de trainer van zowel de B als de C-junioren had bepaald dat er in een kleine ruimte moest worden gespeeld. Een verdere ‘handicap’ was er niet wat betekende dat er lustig op los ‘gepingeld’ mocht worden in een ruimte die zich voor een spelletje twee keer raken uitstekend leende.

Na een half uur kwam er een einde aan de training en mijn verbazing ging maar door. De spelers liepen vanaf het trainingsveld naar fiets, of in sommige brommer, en vertrokken direct naar huis of andere oorden waar het aan de kreten te horen gezellig toeven was.

Voor iemand die een redelijk aantal jaren als jeugdtrainer actief is geweest valt dat niet te bevatten. Spelers of speelsters die na afloop van een training niet douchten was geen thema. Er werd na afloop van trainingen en wedstrijden gedouchst. Zo gaat het, helaas moet ik zeggen, bij teveel verenigingen niet en  waarbij ook het, hoe gaat je met speler A en speler B om, niet echt van belang is. Precies als in een eerste selectie is ook binnen een willekeurig jeugdteam geen speler of speelster gelijk. Iedereen heeft zijn of haar eigen benadering nodig waarbij het teambelang natuurlijk  niet onbelangrijk is.

Iedereen begrijpt dat het aantrekken van een gediplomeerde jeugdtrainer of keepertrainer niet iets is wat alle verenigingen zich kunnen permitteren. Toch zijn het wel twee functies die van ‘levensbelang’ voor een vereniging zijn. Veel verenigingen hebben of krijgen op termijn een keepersprobleem omdat het opleiden van keepers te weinig gebeurt. Het trainen van de jeugd door een gediplomeerde trainer is bij veel verenigingen ‘not done’ en dat is jammer. Waarom niet met iemand van binnen de vereniging in gesprek gaan die misschien de capaciteiten en zeker de ambitie heeft om een trainerscursus te volgen.

Zo ging het in 1989 ook toen ik als ‘damestrainer’ van Zeester door Albert Nauta benaderd werd om op kosten van de vereniging mijn trainersdiploma ‘Jeugdvoetbaltrainer’ te halen. Er was echter een ‘maar’ aan verbonden. Ik moest bij het behalen van mijn trainersdiploma minimaal twee seizoenen in Zoutkamp actief blijven als jeugd/damestrainer. De twee werden er uiteindelijk vier waarin ik als vergoeding toen 2000 gulden per jaar inclusief reiskosten voor kreeg.

Albert Nauta was in meer zaken zijn tijd ver vooruit en ik weet dat deze constructie later door meer verenigingen is gebruikt. Een constructie waar ik van zeg, ook kleinere verenigingen kunnen op deze wijze met hun jeugd aan de slag. Doe er wat mee maar laat ze niet trainen door iemand met een lange jas, spijkerbroek en met bont gevoerde laarzen.