Helden

op . Geplaatst in Columns

Boven het bed op mijn meisjesslaapkamer hingen ze: de portretfoto’s van mijn helden. Frank Rijkaard, John Bosman, Rob Witschge en Aron Winter. Maar voor mij waren het: Frankie, Johnny, Robbie en Arie. Iedere avond voor het slapengaan ging er een knikje richting de supervoetballers van de Meer.

Boven het bed op mijn meisjesslaapkamer hingen ze: de portretfoto’s van mijn helden. Frank Rijkaard, John Bosman, Rob Witschge en Aron Winter. Maar voor mij waren het: Frankie, Johnny, Robbie en Arie. Iedere avond voor het slapengaan ging er een knikje richting de supervoetballers van de Meer.

 

  door Ursula Sennema

Het was 1987, ik was vijftien jaar en Ajax kwam bij ons in de buurt. In Uithuizen, tegen een regioteam. De weken ernaar toe het gevoel van opwinding, eindelijk zou ik ze treffen.  Ergens weet iedereen: eigenlijk is het beter om je helden niet te willen ontmoeten. Straks valt het tegen. Een illusie is voorbij. Maar het kan ook het eeuwige dilemma zijn tussen het hart en het hoofd, het gevoel en het verstand. Wat doe je op het moment suprême? Kies je ervoor om niets te doen en af te wachten of kom je in actie en schrijf je persoonlijke historische bladzijde.

In de documentaire “En un Momento Dado” (2004) over de Spaanse periode van Johan Cruijff worden er Catalanen gevolgd die groot bewonderaar van hem zijn. Er wordt gezegd dat Johan hen hun trots teruggaf en zij schetsen hun persoonlijke “Johan Cruijff-moment”. Zoals een vrouw die haar leven lang bewonderaar is van hem. Ze volgde hem op zeer nauwe voet, als voetballer en als trainer. Geen andere man zou ooit kunnen tippen aan hem. Maar ze sprak ook met opvallend veel stijl en compassie over haar grote held. Eenmaal was ze hem bijna letterlijk tegen het lijf gelopen. In een café in hun beider woonplaats Barcelona. Toen de documentairemaker daarop vroeg of ze geaarzeld had om hem aan te spreken, sprak ze resoluut: “Oh nee, dat zou ik nooit doen, daarvoor heb ik veel te veel respect voor hem.”

De wedstrijd in Uithuizen. Het rare is, ik kan me nog herinneren welke kleren ik droeg. Een donkerblauw T-shirt met Ajax-vignet, een spijkerbroek van het merk Edwin, bootschoenen en een speldje in het haar. Naast mij zat mijn broertje, hij zat nog op de lagere school. Hij droeg zijn nieuwe Ajax-trainingspak. Wij zaten, mijn vader stond. Wat me bij is gebleven: de spelers met hun wapperende TDK-shirts en hun lange haar. Marco van Basten was net vertokken naar AC Milan, hier werd flink over gesproken. Trainer was (jawel!) Johan Cruijff, hij riep naar de Engelse spits Frank Stapleton: “go to the first paal!” En dan de directe tegenstander van de 18-jarige Dennis Bergkamp. Dat was Bé Oosterhuis van de v.v. Noordpool.

De hele week op school had ik mij voorgenomen wat ik zou zeggen als ik oog in oog met één van de helden zou staan. Nu was het moment daar. Het laatste fluitsignaal klonk. De wedstrijd was voorbij. Ik zag Aron Winter onze kant opkomen, nog drie stappen, twee, één stap.. en.. hij was me voorbij. Ik had niets gezegd, geen handtekening gevraagd en geen oogcontact gehad.

Horden handtekeningjagers liepen inmiddels op het veld. De spelers en de toeschouwers, iedereen zocht een weg naar de uitgang. In het gedrang dat daarop ontstond, stond ik ineens precies achter Frank Rijkaard, en door het geduw achter mij, werd ik tegen zijn lichaam aangeduwd. Ik was al vroeg een lang meisje, maar nu ik zo tegen hem aanstond en omhoog keek, zag ik het: hij was een kop groter. Zijn grote gespierde lichaam. De glanzende krulletjes. De zweetdruppeltjes die naar beneden liepen.

(Franklin Edmundo Rijkaard, geboren op 30 september 1962 in Amsterdam. Magistrale middenvelder met je mooie traptechniek, je spelinzicht en atletische lijf. Draai je alsjeblieft nu toch om, pak me bij m’n arm en neem me mee die bus in. Mee naar Amsterdam, naar de Meer. Alles wil ik voor jullie doen; stukjes schrijven, broodjes smeren in het spelershome, de kleedkamer dweilen, de bekers poetsen, de shirts wassen. Mijn ouders zullen er best begrip voor hebben als jij ze het uitlegt. Er is daar ook een middelbare school en een tennisclub. En oké, ik heb een Gronings accent, maar zal me daar heus verstaanbaar kunnen maken. Toe nou Frankie...!) Maar de realiteit was anders. Hij was ineens weg, en wij moesten ook gaan van mijn vader. Naar huis. En niet mee in de bus naar Amsterdam.

Een tijdje later. We gingen op kamp, een afsluitingsweekend. Met een groep leeftijdsgenoten van de kerk. De leiding bestond uit Piet en Harry. Iedereen vond: zij waren cool. We gingen naar Ameland, naar Hollum. Het was juni, de tijd van de groepen op een eiland. ’s Avonds gingen we wat drinken in een discotheekje. Wij waren in die tijd een beetje verlegen, al dansten we die avond wel op Paradise-city van Guns ’n Roses.

En toen zomaar: er sloeg een vonk over met een blonde jongeman. Ik stond hier, hij stond daar en ineens - kusten wij elkaar. Toen ik even later achterom keek zag ik dat Piet goedkeurend lachte. Ik had het al geschoten; die blonde jongen was daar overduidelijk met zijn voetbalteam. Het bleek een niet nader te noemen zondagtweedeklasser uit Zuidoost Drenthe. We bleven kletsen. Hij vertelde dat hij de spits was. Ik mocht raden hoe vaak hij gescoord had het afgelopen seizoen. Ik zei vijftien, het waren er achttien. Ja, ze hadden een mooi seizoen gehad, een knappe tweede plek.  Het werd een onvergetelijke ontmoeting, met deze voetballer uit Drenthe. Hij was mijn nieuwe held, al was het voor één avond.

Toen ik na het weekend thuiskwam en ’s avonds met vlinders in de buik ging slapen, gaf ik ze een knikje, de helden boven het bed. Het leek toen net of ze even knipoogden.

Ursula Sennema