‘Vroeger viel je uit een boom en had je ‘au’, nu leggen de ouders een matras onder de boom zodat je zacht valt.”

Geschreven door Johan Staal op . Geplaatst in Columns

‘Vroeger viel je uit een boom en had je ‘au’, nu leggen de ouders een matras onder de boom zodat je zacht valt.”
je profielfoto
Bovenstaande tekst las ik in de rubriek Anno van de VI. De enige rubriek die ik nog leuk vind in de VI en ik wekelijks even op speciale wijze lees. Een opmerking waar ik mij wel in kon vinden. Sinds ik met mijn verhaal voor mijn kleinzoon Morris in het boekje ‘Opa schrijft’ bezig ben keer ik met regelmaat terug in de tijd. Een tijd waarin er alleen op gras werd gevoetbald, scheenbeschermers niet bestonden, voetbalschoenen soms nog stalen neuzen hadden en er gewoon 11 tegen 11 werd gevoetbald. Daar kan ik mijn kleinzoon mooie verhalen over vertellen waar hij  niets van zal begrijpen. Want mocht mijn kleinzoon ooit besluiten om te gaan voetballen dan zal ook hij zich moeten onderwerpen aan datgene waar zijn opa niets mee heeft. Zijn opa heeft bijvoorbeeld niets met dat spelers op de trainingen verplicht zijn om scheendekkers te dragen. Een keer ‘au’ is namelijk niet erg schrijf ik in het boekje ‘Opa schrijft’. Want ook Morris zijn opa heeft vroeger wel ‘au’ geroepen als er een overtreding op hem werd gemaakt tijdens een training of wedstrijd. Dan was daar een dikke enkel of een schaafplek op het scheenbeen waar je van hoopte dat het snel zou herstellen omdat een volgende krachtmeting aanstaande was. Een vraag in het boekje ‘Opa schrijft’ was, wat had jij vroeger aan. Daar volgde een simpel antwoord op. Vanaf Pasen t/m de Eenrumer Kermis was dat een korte broek. Iets wat in mijn geval, en dat gold voor meer jongens, wel praktisch was. Want tussen Pasen en de Eenrumer Kermis werd er veel gevoetbald op zowel het veld als op straat. En op straat vallen betekende met een lange broek vaak dat er ‘schade’ was. Schade waar je moeder niet blij van werd. Dan maar een keer een kapotte knie was dan de opmerking van moeder. Een opmerking die ik, nu ik er op terugkijk, wel kan begrijpen en waar ik geen ‘traumatische’ ervaringen aan heb overgehouden. Dat heb ik trouwens ook niet aan het opgroeien met 11 tegen 11 waar ik Morris ook over vertel. Ik vertel hem dat wij als jongetjes van 7 op een groot veld MOCHTEN voetballen. Een veld waar onze favorieten van het eerste elftal ook op speelden. Wat een eer was dat. In het doel mogen staan waar je grote voorbeeld, Kornelis Rijzinga, op de zondag ook stond. Natuurlijk kwam je nog niet bij de lat maar dat boeide niet. We hadden plezier tegen tegenstanders uit de buurt en leerden wat het was om als linksback, of op de andere posities. spelen inhield. Dat staat ondertussen in ‘Opa schrijft’ en wat mij dus  deed terugdenken aan mijn jeugd als voetballer. Een periode waar het gras soms heerlijk nat was. Een periode ook waarin het soms spannend was of een duel wel door zou gaan. Een periode ook waarin we nog met heerlijk afgezakte kousen mochten spelen omdat niemand het erg vond wanneer hij een keer per ongeluk een schop kreeg. Dan was het een keer ‘au’ en je ging weer verder. Dat vertel ik Morris en zeg daarbij dat mocht hij gaan voetballen het heel lang duurt voor hij 11 tegen 11 mag spelen. Ik vertel ook dat  het heel lang duurt voor hij kampioen kan worden. Verder leg ik hem uit dat  hij wel met scheendekkers voor moet trainen en voetballen omdat je tegenwoordig als voetballer niet een keertje ‘au’ mag zeggen  en ik vertel hem ook dat hij soms op kunstgras moet spelen. Allemaal zaken die opa anders heeft mogen beleven en die hem als jeugdige voetballer gewoon een fantastische jeugd hebben bezorgd.