We voetballen niet zonder Hans

Geschreven door Henk Doppenberg op . Geplaatst in Columns

Dat er binnen verenigingen soms totaal verschillend wordt gedacht bewijst dit verhaal van Henk Doppenberg. Een verhaal over een team dat een speler in levensgevaar in het ziekenhuis heeft liggen maar waar sommige jeugdbestuursleden van denken dat het team ‘gewoon’ kan voetballen.
Profielfoto van Henk Doppenbergwww.henk-doppenberg.nl

Als Wilbert en Danny 's woensdags na hun training met de JO15-1 een tijdje in de kantine hebben gezeten en nog even naar de kleedkamer lopen om te kijken of alles een beetje netjes achtergelaten is, horen ze opeens meerdere sirenes. 'Wat zou er zijn?' 'Geen idee. Misschien is er ergens een ongeluk gebeurd.' 'Ze komen deze kant uit.' 'Dat hoor ik, ja.'

Als de sirenes plotseling stoppen, kijken de twee jeugdleiders elkaar een beetje geschrokken aan en blijkbaar denken ze allebei hetzelfde. 'Zou het hier bij de straat zijn?' 'Ik denk het.' 'Als het maar niet iemand van de club is. Al gun ik het een ander natuurlijk ook niet.' 'Begrijp ik. Zijn onze jongens al lang weg?' 'Geen idee.' 'Zullen we even daar naar de weg lopen? Dan kunnen we misschien zien wat er gebeurd is.' 'Best.'

De twee mannen lopen met grote stappen naar de uitgang van het complex en als ze daar vervolgens in de richting van de doorgaande weg kijken, zien ze meerdere politiewagens en een ambulance staan en weten ze genoeg. Zeker als ze ook nog het gebrom van de traumahelikopter horen. Zonder een woord te zeggen, beginnen ze dan ook meteen te rennen. Ze komen alleen niet heel ver, want een meter of vijftig voor de weg worden ze tegengehouden door twee agenten. 'Bent u familie van het slachtoffer, heren?' 'Niet, dat we weten. Kunt u wel zeggen wie aangereden is?' 'Zijn naam kennen we niet. Het is wel iemand van de voetbalclub.'

Danny en Wilbert grijpen elkaar van schrik vast. In hun hart hadden ze er al wel iets rekening mee gehouden dat het best eens om iemand van hun team zou kunnen gaan, maar nu worden ze toch wel heel bang dat het ook echt zo is. Ze zouden daarom heel graag willen gaan kijken wie het slachtoffer is, maar ze begrijpen dat de agenten hen echt niet verder laten. Toch doet Danny nog een poging. 'Is de familie van het slachtoffer er al? Wij zijn jeugdleiders van de voetbalclub en vrezen dat het een jongetje uit ons team is. Kunnen we misschien ergens mee helpen? U begrijpt dat we erg nieuwsgierig zijn om wie het gaat en hoe ernstig het is. Dat er levensgevaar is begrijpen we wel, want anders was die helikopter er niet.'

De agent beseft blijkbaar wel wat er in de mannen omgaat en roept een collega op. Dat gesprekje duurt heel even, maar dan komt de politieman naar Wilbert en Danny toe. 'We kunnen geen uitspraken doen over de jongen zijn toestand, maar het gaat om Hans van Hateren en hij wordt zo overgebracht naar het ziekenhuis.' 'Is het heel slecht met hem?' 'Ja, maar meer kan en mag ik echt niet zeggen.' 'Bedankt.'

Wilbert en Danny hebben elkaar vastgepakt en even dreigen de mannen hun emoties niet meer de baas te kunnen blijven, maar dan beseffen ze nog het een en ander te doen te hebben. 'We moeten de andere spelers gaan bellen. Hans fietst altijd alleen naar huis, dus zullen de anderen het nog wel niet weten. Plus dat we het bestuur van de club in moeten lichten.'

'Zouden we ons team soms nog weer even bij elkaar moeten halen?' 'Laten we daar nog maar mee wachten tot we wat meer over Hans zijn situatie weten.' 'Ja, dat is misschien wel beter. Kom we gaan terug.'

Als de twee jongens hun team en het bestuur van de vereniging hebben verteld wat er met Hans is gebeurd, gaan ze een beetje doelloos bij elkaar aan een tafeltje zitten. 'En nu?'

'Geen idee. Ik denk dat we niets anders kunnen dan afwachten. Ze zijn in het ziekenhuis waarschijnlijk voorlopig nog bezig met allerlei onderzoeken en de familie van Hans zal telefonisch wel niet bereikbaar zijn.' 'Die kampioenswedstrijd van zaterdag kan me nu trouwens gestolen worden.' 'Mij ook en ik wil er eerlijk gezegd nog niet eens aan denken. Eerst maar eens afwachten hoe het met de jongen afloopt. Als hij overlijdt, voetballen we sowieso niet.' 'Ik krijg al kippenvel als ik eraan denk.' 'Blijf je nog lang hier?' 'Liever niet, want ik word gek van al dat lawaai om me heen.' 'Ik ook, maar ik heb weinig zin om alleen thuis te gaan zitten wachten tot ik wat hoor.' 'Zullen we naar het ziekenhuis gaan? Dan zijn we in ieder geval dicht bij Hans en zijn familie en misschien kunnen we nog wel iets voor hen betekenen.' 'Mee eens. Ik bel eerst even naar huis dat ik er voorlopig nog niet ben en dan gaan we.' 'Doen we.'

Vijf minuten later zitten beide mannen al in de auto en een uurtje later rijden ze de parkeerplaats bij het ziekenhuis op. Als ze een plekje voor de auto hebben gevonden en naar de ingang lopen, beseffen ze allebei dat ze zo ook heel slecht nieuws te horen kunnen krijgen.  'Ik kan me niet herinneren dat ik ooit zo gespannen ben geweest als nu.'

'Ja, we kunnen hier vanavond één van onze spelers verliezen en misschien zijn we hem al wel kwijt.'' Laten we maar proberen om snel te weten te komen hoe het met hem is.' 'Als ze ons iets willen vertellen.' 'Dat zien we zo wel.' 'Laten we eerst maar eens in het restaurant gaan kijken. Grote kans dat we daar één of meerdere mensen van de familie treffen.'' Goed idee.'

Het idee van Wilbert blijkt zeker goed te zijn, want vanuit de verte zien ze Hans zijn ouders al zitten en daarom rennen ze bijna naar de mensen toe. De ontvangst is vol emotie en het duurt daarom even voor de jongen zijn vader in staat is om iets over de gezondheid van zijn zoon te vertellen. 'We weten nog weinig. Wel dat hij diverse breuken en kneuzingen heeft en dat er inwendig letsel is. Over dat laatste maken ze zich ontzettend veel zorgen. Al zeiden ze net wel, dat het toch niet zo slecht met hem is dan ze net na het ongeluk dachten. Dat zegt echter nog niets, want de eerste vierentwintig uur is er volgens de arts in ieder geval nog levensgevaar.' 'Vindt u het goed dat ik dit even doorbel naar de vereniging? Dan weet de rest van ons team ook hoe het met Hans is.' 'Best.'

Danny loopt snel naar buiten om het nieuws over het ongelukkige voetballertje door te geven en is na een minuutje of tien weer terug. De ouders van Hans zijn dan inmiddels weer naar de eerste hulp gelopen, maar Wilbert zit er nog steeds. 'Ik heb met ze afgesproken dat ze mij bellen als er nieuws is. Ook al is het midden in de nacht. Natuurlijk hoor jij het dan als eerste weer van mij, maar we kunnen dan daarna de anderen inlichten.' 'Zullen we dan maar weer naar huis gaan? Hier kunnen we toch niets doen en ik vraag me af of die ouders niet het liefst bij elkaar willen zijn, zonder andere mensen om hen heen.' 'Ik denk dat je gelijk hebt.'

Hoewel de mannen alleen maar aan hun speler kunnen denken, besluiten ze toch om ieder weer naar zijn eigen huis te gaan. Het lukt ze alleen niet om vannacht ook maar een minuut te slapen en daarom besluiten ze de volgende allebei een snipperdag te nemen. Omdat ze het idee hebben dat ze langzaam dol worden van het alleen thuis zitten wachten op dat telefoontje uit het ziekenhuis, besluiten ze elkaar tegen tien uur toch maar weer op te zoeken. Dat brengt hen wel wat afleiding, maar verder helpt het niets. De ouders van Hans laten namelijk niets van zich horen en de mannen besluiten om zelf ook niet te bellen, want ze hebben gisteren tenslotte duidelijke afspraken gemaakt en ze willen de mensen zeker niet tot last zijn. Tegen een uur of half twee gaat dan eindelijk Wilberts telefoon en omdat hij meent dat dit nieuws over Hans is, neemt hij enorm gespannen op. 'Met Wilbert.' 'Hoi, met Jos van ALM'76. Ik heb net contact gehad met de ouders van Hans. Er was nog geen verandering in de jongen zijn situatie, maar ze vonden het geen probleem dat jullie zaterdag gewoon voetbalden. Na overleg met de rest van het jeugdbestuur, heb ik daarom besloten om de wedstrijd gewoon door te laten gaan. Ik heb de bloemen ook al besteld, Ruud komt met zijn dweilorkest en de hoofdsponsor zorgt voor een versierde wagen.'

Wilbert is zo overdonderd, dat hij alleen maar een paar keer 'ja' zegt en met een korte groet de verbinding verbreekt. Als hij zijn telefoon op tafel heeft gelegd en Danny in zijn ogen kijkt, begint hij echter langzaam te beseffen wat de jeugdvoorzitter net zei. 'Dat kan helemaal niet.' 'Wat?' 'Ze willen onze wedstrijd van zaterdag gewoon door laten gaan. Hans zijn ouders hebben blijkbaar gezegd dat zij het geen probleem vinden.' 'Lijkt me logisch. Die mensen kunnen immers alleen maar aan hun zoon en verder nergens aan denken. Dat bestuur van ons begrijpt toch zelf ook wel, dat zoiets nergens op lijkt. Ze hebben zelfs een dweilorkest besteld. Zouden ze nu echt denken dat wij gaan feesten, terwijl één van ons in het ziekenhuis voor zijn leven ligt te vechten. Zal ik hem meteen maar terugbellen dat we niet met hun plannen akkoord gaan?' 'Ik ga sowieso niet voetballen en het valt me enorm van de vereniging tegen dat zij hier zo gemakkelijk mee omgaan, maar moeten we ook de spelers en hun ouders niet even naar hun mening vragen?' 'Je hebt gelijk. Bel jij de bovenste zeven van de lijst, dan doe ik de onderste zeven.' 'Perfect.'

De ouders zijn het allemaal met de beide leiders eens en daarom belt Wilbert een uurtje later de jeugdvoorzitter weer terug. 'Met Jos.' 'Hoi, met Wilbert. Ik bel nog even over onze wedstrijd van zaterdag. Die moet je toch maar uitstellen, want zowel wij als de spelers hebben geen zin om te voetballen terwijl één van ons in het ziekenhuis ligt.' 'Dan moet ik alles weer afzeggen. Die ouders van Hans vinden het toch geen probleem als de wedstrijd gespeeld wordt en daar gaat het volgens mij om.' 'Denk jij nu echt dat er een ouder is die zegt: Ik wil niet dat jullie voetballen omdat mijn zoon in het ziekenhuis ligt? Wij moeten uit respect voor de jongen en zijn familie zelf zo wijs zijn om niet te spelen.'

'Ik weet niet of de tegenstander eraan mee wil werken dat we de wedstrijd verplaatsen.' 'Als ze dat niet willen, voetballen we gewoon niet. ''Dan krijg je drie punten in mindering en een boete en ben je geen kampioen.' 'Die boete betalen Danny en ik wel en dat kampioenschap is voor ons niet meer belangrijk. Ik begrijp trouwens ook niet hoe je zo dom kunt praten. Stel dat Hans onder onze kampioenswedstrijd komt te overlijden. Dan vergeef ik het mezelf toch nooit dat ik met de jongens ben gaan voetballen en Danny ook niet.' 'Ik ga de tegenstander wel bellen, maar als ze niet mee willen werken en jullie het kampioenschap verspelen, kan ik er niets aan doen.' 'Dat zal je ons ook echt niet één keer horen zeggen.'

Het valt allemaal heel erg mee. De jeugdvoorzitter belt namelijk al vrij snel terug dat de wedstrijd een week uitgesteld is en op zaterdagmiddag komt het telefoontje dat Hans weer bij kennis is en het levensgevaar is geweken. Gesterkt door dit goede nieuws wordt het team van Danny en Wilbert een week later, via een 4-1 overwinning, overtuigend kampioen. Dit is natuurlijk schitterend voor de jongens, maar het grote feest voor hen komt een uurtje later. Dan zijn ze namelijk bij hun teamgenoot Hans in het ziekenhuis. Als de leiders zien hoeveel plezier de knapen hieraan beleven, zijn ze dubbel blij dat ze de wedstrijd een week uit hebben laten stellen. Zeker als een dag later blijkt, dat ze de ouders van Hans hier een ontzettend groot plezier mee hebben gedaan.