Op het platteland weten ze niets van voetbal

Geschreven door Henk Doppenberg op . Geplaatst in Columns

Weer een ‘waar’ verhaal van Henk Doppenberg die met ‘Op het platteland weten ze niets van voetbal’ weer een belangrijk punt aanroert
Profielfoto van Henk Doppenbergwww.henk-doppenberg.nl
Kees woont sinds een maand met zijn vrouw Ellen in een klein plaatsje net bij de grens tussen Overijssel en Drenthe en nog niet met heel veel plezier. Hij vindt de omgeving wel mooi, maar het is er in vergelijking met zijn vorige woonplaats doodstil en hij heeft vreselijk veel moeite om de mensen te verstaan. Ze spreken zeker onder elkaar namelijk bijna allemaal dialect en dat is gewoon niet te volgen voor iemand uit het westen. Hij doet trouwens ook niet zijn best om hen te volgen, want hij zegt gewoon dat hij ze niet verstaat en dan beginnen ze vanzelf Nederlands te praten.

 Hij was hier ook liever helemaal niet komen wonen, maar zijn werkgever verhuisde naar deze regio en daarom had hij geen andere keus. Ontslag nemen doe je in deze tijd immers ook zomaar niet en al helemaal niet als je ergens een vast contract hebt. Want dat krijg je bijna nergens meer. Tenminste niet direct en alleen een andere baan vinden kan voor iemand van vijfenveertig trouwens al een enorme opgave zijn. Wat dat betreft mag hij dus van geluk spreken dat hij nog werk heeft, maar zo voelt hij dat niet. Als hij eraan denkt dat hij nog minstens twintig jaar in deze regio zal blijven wonen, voelt hij zich namelijk eerder ongelukkig dan gelukkig. Zijn humeur is trouwens sowieso de meeste dagen al om op te schieten en op een gegeven moment heeft zijn vrouw Ellen daar meer dan schoon genoeg van. Als hij 's middags weer eens met een gezicht als een oorwurm thuiskomt, gaat ze daarom bij hem aan tafel zitten. 'We moeten praten. Sinds we hier wonen doe je niets anders dan klagen en op alles en iedereen afgeven en daar moet je mee stoppen.'
 'Jij hebt gemakkelijk praten, maar ik moet iedere dag werken met mensen die ik niet versta en die volgens mij ook nog eens een hekel aan me hebben. Zo leuk is dat echt niet hoor.'
 'Ligt het probleem niet een beetje bij jezelf?'
 'Hoezo?'
 'Ten eerste loop je steeds te mopperen dat je de mensen hier niet verstaat, maar probeer je dat wel?'
 'Ze kunnen toch normaal verstaanbaar Nederlands praten?'
 'Ja, maar dat doen ze niet en dat hoeft ook niet. Jij komt hier wonen, dus moet jij je aanpassen en niet zij. Als iemand van het platteland naar de stad verhuist, gaat zijn omgeving toch ook niet ineens dialect praten?'
'Nee, maar het is normaal dat iemand Nederlands praat.'
'Dat vind jij.'
Kees kijkt zijn vrouw een beetje spottend aan. 'Vind jij het dan gewoon dat ze hier zo raar praten?'
'Ja, want dat is normaal voor de mensen hier in de regio en ik kan ze prima verstaan. Soms praten ze me wel wat te snel, maar dan vraag ik of ze het herhalen en dat gaat hartstikke goed. Ik wil ook echt niet dat ze Nederlands tegen me praten en schaam me er eigenlijk een beetje voor dat jij dat wel van hen verlangt. Als ik hun dialect kan verstaan, moet jij het namelijk ook kunnen.'
'Jij bent gek.'
'Kan best zijn, maar ik heb al wel een paar vriendinnen en ga volgende week woensdag met ze mee zwemmen en ze hebben me ook gevraagd om lid te worden van hun korfbalclub.'
 'En doe je dat?'
Ja, waarom niet? Het is immers hartstikke gezellig en daarom begrijp ik niet dat jij nog niet naar het voetbalveld bent geweest. Je bent je hele leven al bij het voetballen betrokken en nu ga je ineens niet meer?'
'Ik ben altijd topniveau gewend en hier spelen ze vierde klasse.'
'Nou en? Het gaat toch om de gezelligheid?'
 'Ik weet niet of ik het voetbal hier wel zo leuk en gezellig vind.'
'Het kan me eigenlijk ook helemaal niet schelen wat je gaat doen, maar je moet stoppen met dat chagrijnige gedoe. Je verpest er namelijk niet alleen je eigen leven mee, maar ook dat van mij en dat moet niet.'
'Ik zal wel eens zien.'
 'Je moet me wel serieus nemen hoor, want ik heb geen zin om de rest van mijn leven met zo'n chagrijnige kerel samen te leven.'
Ellen geeft Kees geen kans meer om te antwoorden, want ze staat op en loopt naar boven. Eerst denkt hij nog even om haar achterna te gaan en te vragen wat ze met haar laatste woorden bedoelde, maar dat besluit hij toch niet te doen. Hij beseft namelijk dat ze wel gelijk heeft, want ze wonen hier nu eenmaal en daarom kunnen ze het beter ook maar zo gezellig mogelijk proberen te maken. Het probleem is alleen dat hij zich zo moeilijk aan kan passen en de mannen uit zijn omgeving eigenlijk allemaal domme boeren vindt. Hij wil echter geen onenigheid met Ellen en daarom besluit hij toch maar eens een poging te doen om wat contacten te leggen en komende zaterdag naar het voetbalveld te gaan. De senioren van de club hier spelen wel op zondag, maar hij heeft nu eenmaal meer met jeugdvoetbal en dat is op zaterdag. Als het eenmaal zaterdag is, heeft Kees helemaal geen zin meer om naar het voetbalveld te gaan en daarom stelt hij Ellen voor om een eind te gaan fietsen. 'Nee mannetje. Jij zou naar het voetbalveld gaan en dat doe je nu maar. Ik kan trouwens ook niet, want ik ga samen met de buurvrouw naar het dorp. Dat schijnt op zaterdagmiddag erg gezellig te zijn, dus wil ik dat wel eens meemaken. Voor vanavond heb ik trouwens een tafeltje besproken in de Dorpspoort. Daar schijn je heerlijk te kunnen eten en ik ken een paar vrouwen die daar werken.'

 Kees geeft geen antwoord, want hij baalt verschrikkelijk van dat vrolijke gedoe van Ellen en loopt daarom na een korte groet de deur uit. Als hij vijf minuten later op het voetbalveld komt, ziet hij dat er weinig te doen is. Er is namelijk maar één wedstrijdje aan de gang en langs de lijn staan ongeveer tien mensen. Zelfs in de kantine is zo goed als niemand te zien. Hij denkt daarom eerst even om gelijk weer om te keren en naar huis te gaan, maar dan wordt hij op zijn schouder getikt en als hij omkijkt, ziet hij een collega staan. 'Ha Beeker. Kom je ook maar eens kijken?'
 'Ja, maar wat is hier weinig te beleven. Mijn vorige vereniging had zes velden en die waren altijd de hele zaterdag van negen tot een uur of vijf bezet.'
'We doen onze uiterste best om nieuwe leden binnen te halen, maar we zitten nu eenmaal in een klein dorp en zoveel kinderen zijn er dus niet.'
 'Het niveau zal hier dus ook wel niet zo denderend zijn.'
'We gaan wel wat vooruit, maar moeten het afleggen tegen clubs uit de grotere plaatsen en steden. Die hebben nu eenmaal meer leden, waaruit ze kunnen selecteren en daar gaat het niveau natuurlijk snel door omhoog.'
'In de stad heb je ook veel betere trainers. Hebben jullie voor de jeugd wel een gediplomeerde trainer?'
 'Twee jongens van de vereniging hebben een cursus gevolgd.'
 'Oké, maar een echte trainer hebben jullie dus niet.'
 'Ik zeg toch net van twee.'
 'O, ja.'
De collega heeft blijkbaar schoon genoeg van Kees zijn denigrerende opmerkingen en loopt zonder nog iets te zeggen verder. Kees heeft echter niets in de gaten, want de scheidsrechter heeft net voor de rust gefloten en omdat de teams niet naar de kleedkamer gaan, loopt hij even iets verder om te horen wat de trainer tegen zijn spelers zegt. Hier heeft hij echter, net als bij al het andere, ook gelijk zijn bedenkingen weer bij. De trainer heeft het namelijk alleen maar over de zaken die goed zijn gegaan, maar over de fouten die zijn gemaakt zwijgt hij en in Kees zijn ogen is er in de tien minuten dat hij heeft staan kijken toch genoeg mis gegaan. Voor zijn gevoel, is dit opnieuw een teken dat de trainers hier er niet echt veel van begrijpen. Aan de ene kant vindt hij dat trouwens ook helemaal geen wonder, want een trainer met een beetje kennis en ambitie wil immers niet bij zo'n klein dorpsclubje zitten.  Als de wedstrijd afgelopen is, loopt Kees naar de kantine en daar treft hij een andere collega.
'Hoi Beeker. Leuk je te zien. Was het voetballen wat?'
 'Nee, jullie moeten nog veel leren.'
'Want?'
 'Het spel is slecht. Die trainer begrijpt er niets van en wat een slecht veld is dat.'
'Heb je ook nog iets gezien wat wel goed was?'
 'Eigenlijk niet.'
'Dan zit er dus maar één ding voor je op.'
'En dat is?'
 'Naar huis gaan en nooit weer hier komen. Ik zou trouwens ook zo snel mogelijk weer teruggaan naar mijn oude woonplaats als ik jou was.'
 'Waarom?'
Daar is toch alles beter volgens jou en wij kunnen je hier missen als kiespijn. Mensen die uit de stad komen en zich verheven voelen boven ons, zijn we namelijk liever kwijt dan rijk. Stop dus met je gezeur en pas je aan of pak anders zo snel mogelijk je biezen.'
Kees is behoorlijk onder de indruk van de uitval van zijn collega. 'Ik kwam hier vandaag juist om nieuwe kennissen op te doen.'
'Dan ben je op het juiste adres en we kunnen bij onze vereniging nog best een paar vrijwilligers gebruiken. Als je samen met ons wil proberen om de club vooruit te helpen, ben je dus van harte welkom. Wanneer je alleen maar komt om ons te vertellen wat we fout doen en dat het in de stad allemaal veel beter is, heb ik echter liever dat je een andere hobby zoekt. Nou, weet je al wat je doet?'

 Het blijft heel even stil, maar dan begint Kees te lachen. 'Bedankt voor de pittige, maar wijze les. Je hebt gelijk. Het is onzin om te denken dat ze op het platteland veel slechter voetballen dan in de stad.'

 'Precies. We hebben beperkingen omdat we niet groot zijn en zullen echt niet alles goed doen, maar bij de clubs uit de stad gaat ook niet alles perfect. Ik ken daar namelijk ook wel kleine verenigingen die het niets beter of misschien nog wel slechter doen dan ons. En wat is trouwens slecht? Wij proberen de kinderen uit ons dorp zoveel mogelijk voetbalplezier te bezorgen en als dat lukt, zijn we goed bezig. Natuurlijk doen we ook onze stinkende best om de jongens en meisjes beter te leren voetballen, maar we zijn gewoon te klein om ooit op een echt hoog niveau te kunnen voetballen. Een klein stapje omhoog zal misschien nog wel eens lukken, maar dan moeten de goede voetballers uit het dorp, die we toch ook wel vrij regelmatig hebben, hier blijven en niet vertrekken naar een grote club uit de omtrek. Het is echter wel altijd gezellig bij onze club en we gaan, in tegenstelling tot sommige grote verenigingen, op een normale en vooral menselijke manier met elkaar om. De voorzitter is hier bijvoorbeeld net zo belangrijk als een spelertje van de kleinste pupillen en als dat je aanspreekt, noteer ik je meteen als lid en vrijwilliger.'
 'Doe maar en ik kan je ineens trouwens ook vrij goed verstaan.'
Kees zijn collega grijnst een keer. 'Als je eerlijk bent, moet je toegeven dat je dit altijd wel hebt gekund. Je wilde het alleen niet, omdat je jezelf beter voelde dan de andere mensen hier en dat dialect maar een dom taaltje vond.'
 'Ik heb er wel aan moeten wennen, maar begrijp opeens niet dat ik er zo raar over heb gedaan. Het is namelijk heel goed te volgen.'
 'Goed zo man. Kom, dan stel ik je aan de andere mensen voor.'
'Graag.'
Als Kees een paar uur later thuiskomt, ziet Ellen direct aan zijn gezicht dat er iets met hem is gebeurd. 'En, was het leuk?'
 'Super. Ik ben gelijk lid geworden. Ga in de kantine helpen, een jeugdelftal trainen en begeleiden en ben ook nog in het jeugdbestuur gegaan.'
'Hoe dat zo ineens?'
Omdat die mensen daar echt van hun club en hun dorp houden en daar kan geen kampioenschap tegenop. Heel stom, maar ik voel me al echt één met hen.'

 'Mooi man. Wat een beetje goede wil en begrip en respect voor elkaar toch al niet kan doen.'