Een wedstrijd fluiten kan soms gevaarlijk worden

Geschreven door Johan Staal op . Geplaatst in Columns

Ook vandaag weer een verhaal van Henk Doppenberg waar je van denkt dat het fictief verhaal dit seizoen geen realiteit zal zijn. Een verhaal over de arbiters in voetballand wonderland wat steeds meer voetballand verwonderland wordt

Profielfoto van Henk Doppenbergwww.henk-doppenberg.nl
Tjeerd is nu zes seizoenen scheidsrechter, waar de laatste drie bij de senioren en dat gaat perfect. Hij is namelijk al een aantal keren gepromoveerd naar een hogere groep en ook dit seizoen gaat het weer prima. Voor vandaag heeft hij een risicowedstrijd toegewezen gekregen. Beide verenigingen staan namelijk bekend om hun harde en vaak gemene spel en vooral hun nogal snel ontvlambare supporters. Er zijn daarom al meerdere scheidsrechters die de beide teams niet meer willen fluiten, maar Tjeerd maakt zich nergens druk om en ziet er wel een uitdaging om wedstrijden van dit soort verenigingen naar een goed einde te leiden.

 Omdat het schitterend voetbalweer is, heeft hij zelfs een enorme zin in het potje en daarom gaat hij maar wat eerder van huis dan hij normaal gewend is. Als hij bij de vereniging komt, staat er ondanks dat het nog vroeg is al iemand op hem te wachten en de ontvangst is enorm hartelijk. Hier let hij echter totaal niet op, want hij weet dat de meeste clubs dit alleen maar doen om de scheidsrechter in te pakken. Wanneer hij straks niet helemaal naar de mensen hun zin fluit en de wedstrijd wordt verloren, is er na afloop van die vriendelijkheid namelijk vaak weinig meer over. Hij laat echter niets van zijn bedenkingen merken en loopt vriendelijk lachend met de man mee naar de bestuurskamer, waar het ontvangstcomité uit nog meer mensen blijkt te bestaan.

 Als hij iedereen een hand heeft gegeven, komt hij naast de voorzitter te zitten en die man doet ook gelijk al ontzettend vriendelijk tegen hem. 'U doet het  goed scheidsrechter. Vorig seizoen gepromoveerd naar de tweede klasse en als ik de berichten zo hoor, dan doet u het ook in onze klasse perfect. We hebben dit seizoen trouwens nog geen enkele slechte scheidsrechter gehad. Volgens mij is het niveau daarom wel omhoog gegaan en dat is natuurlijk mooi. Het gedrag van onze supporters is mede hierdoor ook een stuk vooruitgegaan. We hebben uit bij SIG'32 wat gedoe gehad, maar dat lag honderd procent aan de tegenstander en verder hebben ze zich perfect gedragen.'

 Tjeerd begint te grijnzen. 'Het heeft er natuurlijk ook wel mee te maken dat jullie alle wedstrijden nog gewonnen hebben.'

 'Zou het?'

 'Ik denk het. Dat geldt immers voor bijna iedereen in het voetbalwereldje. Als er maar gewonnen wordt, is alles goed en ergeren we ons nergens aan.'

 'Ik denk dat u zeker gelijk hebt, maar daarnaast ligt het ook zeker aan de scheidsrechter. Wanneer een arbiter een wedstrijd verknalt en een ploeg dupeert, dan zijn veel supporters gewoon niet meer in toom te houden.'

 Omdat Tjeerd geen zin heeft om nog langer over de supporters te praten, begint hij over iets anders. 'Het is wel een topper vanmiddag.

 'Ja, dat is het zeker. Wij hebben nog geen punt verloren en zij een keer gelijkgespeeld. Heeft  u hen al eens gefloten of nog nooit?'

 'Ja, ik heb ze één keer gehad.'

 'En ging dat?'

 'Jawel. Hoezo?'

 'Ik heb ze dit seizoen nog niet zien spelen, maar ze schijnen een ontzettend hard en soms gemeen team te hebben. Plus dat hun supporters zich al een paar keer flink hebben misdragen. Er staat ons dus nog wat te wachten vanmiddag. Ik heb de stewards al opdracht gegeven om bij rumoer gelijk de politie te bellen en in te grijpen, want we zitten absoluut niet op ellende te wachten.'

 'Die keer dat ik hen gefloten heb, was er niets aan de hand.'

 'Dan ligt het dus toch aan de scheidsrechter.'

 Gelukkig voor Tjeerd, komen net de mensen van de tegenpartij binnen en hoeft hij dus geen antwoord meer te geven. Hij geeft wel iedereen een hand en blijft uit fatsoen nog even zitten, maar vijf minuten later staat hij op om zich te gaan verkleden. 'Moet ik even meelopen, scheidsrechter?'

 'Niet nodig, hoor. Ik weet mijn kleedkamer wel te vinden.'

 'Wilt u de grensrechters vooraf nog even bij u hebben?'

 'Nee, dat is niet mijn gewoonte. Ik spreek de heren wel even bij de toss.'

 'Prima, dan wens ik u vast een prettige wedstrijd. Wat wilt u in de rust drinken?'

 'Een kopje thee graag.'

 'Komt voor elkaar. Heeft u verder nog wensen?'

 'Nee hoor.'

 Onderweg naar zijn kleedkamer, ziet Tjeerd dat er al aardig wat mensen zijn. Opeens dringt het tot hem door, dat het voor dit soort wedstrijden eigenlijk maar goed is dat er in de kantines tegenwoordig niet meer zo vroeg alcohol mag worden verkocht. De kans op aangeschoten supporters langs de lijn, is daarmee immers enorm afgenomen. Al beseft hij ook wel, dat de mensen die echt iets willen drinken dit ook in het plaatselijke café of thuis kunnen doen. Dit zal echter ook weer niet zo heel vaak voorkomen, want heel veel mannen hebben nu eenmaal de gewoonte om de zaterdag bij hun vereniging door te brengen en dus niet in de kroeg. Na zijn warming-up te hebben gedaan, nog even wat te hebben gedronken en naar de wc te zijn geweest, gaat Tjeerd een paar minuten voor half drie in looppas met beide teams naar het veld. Daar is het inmiddels behoorlijk druk geworden en gaat het er al vrij luidruchtig aan toe. Hier raakt hij echter niet van onder de indruk en hij loopt dan ook zonder enig gevoel van spanning naar de middenstip. Daar spreekt hij eerst even zijn beide assistenten en de twee aanvoerders toe. 'Mannen, ik hoop dat we er vanmiddag met z'n allen een heerlijke en echte voetbalwedstrijd van kunnen maken. Er zijn maar twee dingen die ik echt niet wil en dat is gezeur en gemeen spel. Stevig en mannelijk voetbal is echter geen enkel probleem. Dan apart nog even voor mijn assistenten. Bij corners neem ik zelf de achterlijn voor mijn rekening en bij overtredingen moet je vlaggen, maar het is aan mij of ik er wel of niet voor fluit. Het kan namelijk zijn dat ik de situatie anders beoordeel als jullie. Tot slot buitenspel. Vlag alsjeblieft alleen als het echt zo is en probeer niet als een soort twaalfde man elke gevaarlijke aanval van de tegenpartij af te vlaggen. Dat ik ook verder geen partijdigheid van jullie verlang, lijkt me trouwens duidelijk.'

Omdat de mannen allemaal knikken, pakt Tjeerd zijn muntje voor de toss en fluit hij een paar tellen later voor de aftrap. Het gaat er gelijk stevig aan toe, maar het is niet gemeen en het blijft van beide kanten sportief. Hij geniet daardoor met volle teugen van de wedstrijd. Tot de gasten na een half uur scoren en de grensrechter van de thuisclub met zijn vlag omhoog langs de lijn staat. Hij weet honderd procent zeker dat het geen buitenspel was en hij heeft ook geen overtreding gezien, maar toch gaat hij naar de man toe. 'Waar vlagt u voor?'

 'Dat lijkt me logisch. Hun spits ontving de bal in buitenspelpositie.'

 'Echt niet. Toen hij de bal kreeg, stond jullie verdediger nog minimaal dertig centimeter achter hem. Het is dus een geldig doelpunt.'

 'Jij bent blind man. Hoe kun jij dat trouwens bepalen? Ik stond op één lijn en jij niet.'

 'Meneer, let op uw woorden. Bij een volgende belediging stuur ik u weg.'

 'Ik zeg al niets meer.'

 'Afgesproken.'

 Als Tjeerd zich omdraait en naar het midden wijst, beginnen de supporters van de thuisclub als wilden tegen hem te schreeuwen en worden hem van allerlei vreselijke dingen toegewenst. Hij besluit hier echter niet meer aandacht aan te besteden dan strikt noodzakelijk en loopt door naar het midden om voor de aftrap te fluiten. Vanaf nu mag hij echter wel een paar extra ogen hebben, want er gebeurt van alles en het heeft weinig tot niets meer met voetbal te maken. In het kwartier tot de rust, moet hij dan ook nog drie keer een gele kaart voor een speler van de thuisclub trekken en natuurlijk wordt hem dat door zowel de spelers als de supporters niet in dank afgenomen. Hij is daarom blij als de eerste vijfenveertig minuten erop zitten en de nogal overspannen reagerende spelers een kwartier de tijd hebben om af te koelen. De supporters trouwens ook, want op weg naar de kleedkamer wordt hij op een verschrikkelijke manier uitgescholden en hoort hij zelfs mensen roepen dat ze hem na afloop van de wedstrijd wel op zullen wachten. Hoewel hij niet zo heel snel schrikt of bang is, besluit hij wel om deze opmerkingen in de bestuurskamer te melden en bescherming te eisen. Je weet het tegenwoordig immers maar nooit met al die rare mensen.

 Als de voorzitter Tjeerd de bestuurskamer binnen ziet komen, staat hij direct op. 'Ha scheidsrechter. Je komt natuurlijk je excuus aanbieden, want onze grensrechter had echt wel gelijk. Het was zuiver buitenspel. Jij kon die situatie vanaf jouw positie trouwens ook helemaal niet beoordelen.'

 'Ik kom hier niet om een discussie over dat doelpunt te voeren, maar wel om te melden dat een aantal supporters net bedreigende taal tegen me geuit hebben.'

 'Vind je het gek? Die mensen voelen zich bedrogen door je.'

 'Jammer dat u zo reageert, maar ik eis bescherming als ik zo weer naar het veld ga en als ik die niet krijg, staak ik de wedstrijd. Denk eraan dat de gevolgen voor jullie dan niet mals zullen zijn.'

De voorzitter lijkt heel een moment na te denken. 'Best. Ga maar even zitten, dan pak ik een kopje thee voor je. Als je de tweede helft beter fluit dan de eerste, zal er na afloop trouwens weinig gebeuren hoor. Wanneer je ons echter nog een keer naait, kan het echter heel vervelend voor je worden. Ik zou maar eens wat meer op die verdedigers van de tegenpartij letten, want die lui lopen meer te schoppen dan ze voetballen.'

 'Als ik een overtreding zie, fluit ik.'

 'Ja, maar helaas voortdurend tegen ons.'

 Tjeerd besluit niets meer te zeggen en zijn thee op te drinken. Als hij na ongeveer vijftien minuten opstaat om de spelers te gaan halen voor de tweede helft, staan er echter wel een aantal forse kerels die met hem mee lopen en dat vindt hij eigenlijk wel zo veilig. Voor de supporters van de thuisclub is hij namelijk overduidelijk de gebeten hond en dat laten ze horen ook. Het is zelfs zo erg dat de aanvoerder van de gasten net voor de aftrap bij hem komt om hulp aan te bieden. ‘Scheidsrechter als het uit de hand loopt, ren je maar naar onze supporters. Dan gebeurt je echt niets.'

 'Bedankt voor de steun, maar ik hoop dat het niet nodig is.'

 'Wij ook niet, maar het zijn hier rare mensen.'

 Als Tjeerd naar de middenstip loopt om voor de aftrap te fluiten, bedenkt hij zich dat de aangeboden hulp van de aanvoerder natuurlijk op twee manieren uit te leggen is. Hij kan het namelijk echt uit menselijkheid hebben gezegd, maar het kan ook bedoeld zijn om de tegenstander in een nog kwader daglicht te stellen en hem als scheidsrechter te beïnvloeden. Dat zal de man alleen niet lukken, want Tjeerd neemt zich voor om ook de tweede helft alleen maar te fluiten voor wat hij ziet en wat hij hoort en de rest op geen enkele manier bij het nemen van zijn beslissingen mee te laten spelen.

 Hij moet echter wel vol aan de bak, want de spelers van de thuisclub lijken wel stimulerende middelen te hebben geslikt en schoppen naar alles wat beweegt. Ook de gasten laten zich trouwens niet onbetuigd, maar in tegenstelling tot de gastheren hebben zij echter totaal geen kritiek op de leiding en accepteren ze elke genomen beslissing zonder een woord te zeggen. Als Tjeerd er na vijfentwintig minuten vanwege een vechtpartijtje van ieder team één het veld uitstuurt, protesteren ze eveneens niet. De spelers van de thuisclub vliegen echter massaal op Tjeerd af en helaas kunnen zij hun handen niet thuis houden. Hierdoor krijgen nog twee spelers rood en dat is voor een stuk of zeven, acht supporters een reden om het veld in te komen. Tjeerd ziet ze echter komen en beseft natuurlijk gelijk dat ze het op hem voorzien hebben. Daarom fluit hij meteen voor het einde van de wedstrijd en rent hij voor zijn eigen veiligheid zo snel mogelijk naar de supporters van de gasten. Die gaan gelijk met een grote groep om hem heen staan en er vallen even wat rake klappen. Zeker als er nog meer supporters zich met de situatie gaan bemoeien. Na een minuutje of vijf is er echter al politie en die maken snel een einde aan alle tumult. Vervolgens begeleiden de agenten Tjeerd eerst naar zijn kleedkamer en later naar de bestuurskamer, waar hij alle formaliteiten afhandelt.

 Als dat gebeurd is, staat hij op en wendt hij zich tot de agenten die nog steeds bij hem zijn. 'Lopen jullie met mij mee naar de parkeerplaats?'

 'Dat is wel onze bedoeling en het lijkt me goed om je, ongeacht wat er nog gebeurt, tot aan onze gemeentegrens te escorteren. Laten we het zekere maar voor het onzekere nemen.'

 'Graag. Zo plezierig voel ik mij namelijk op dit moment niet.'

 'Dat kunnen we ons voorstellen.'

 Bij de deur van de bestuurskamer staan wel wat mensen met hoorbaar slechte bedoelingen te wachten, maar die binden snel in als ze de agenten zien. Daarom kan Tjeerd zonder problemen de kantine uitlopen en ook op de parkeerplaats staan ze hem niet op te wachten. Hierdoor denkt hij eerst even om tegen de agenten te zeggen dat hij zichzelf wel kan redden, maar dan besluit hij om dat toch niet te doen. De mannen bieden hem tenslotte niet voor niets hun hulp aan, dus zal het gevaar in hun ogen echt nog wel niet geweken zijn. Als ze bij de gemeentegrens zijn en de agenten na met hun lichten te hebben geseind omkeren, zucht hij echter een paar keer diep van opluchting.

 Het leek vanmiddag even heel gevaarlijk te worden, maar gelukkig is alles goed afgelopen. Tenminste, tot nu toe wel. Opeens ziet hij namelijk een auto achter zich rijden met vier mannen erin, die hij duidelijk herkent van het voetbalveld. Hier schrikt hij gigantisch van en het maakt hem voor het eerst vanmiddag vreselijk bang, want hij beseft direct welke bedoelingen die kerels hebben. Eerst is hij zelfs even zo van slag, dat hij moeite heeft om normaal auto te blijven rijden. Dan dringt het langzaam tot hem door, dat hij maar één ding kan doen om een gigantisch pak slaag of nog erger te voorkomen en dat is de politie bellen.

 Hij is alleen zo in paniek dat hij eerst niet eens het nummer weet, maar dat schiet hem al gauw te binnen. 'Eén één twee, met Frank. Wat kan ik voor u doen?'

 'Ik rij op de provinciale weg net buiten Koudebroek in de richting van Spageren en wordt achtervolgd door vier mannen met slechte bedoelingen.'

 'Hoe weet u van hun plannen meneer?'

 'Ik ben voetbalscheidsrechter en kom terug van een wedstrijd die ik gestaakt heb wegens onder andere bedreigingen van de toeschouwers en daar herken ik hen van.'

 'Het is me duidelijk. Welke auto achtervolgt u meneer en kunt u het kenteken zien?'

 'Het is een blauwe BMW met kenteken HK, HK, 01.'

 'Er is politie na u onderweg meneer.'

 'Dank u wel.'

 Een paar minuten later ziet Tjeerd in zijn spiegel al een politieauto naderen, die eerst zijn achtervolgers passeert en hen vervolgens laat stoppen. Hoewel hij nu zeker weet dat het avontuur echt voorbij is, durft hij dit keer niet opgelucht te zijn en ook de volgende dagen niet. Hij beseft thuis namelijk pas echt goed wat hij heeft meegemaakt en hierdoor denkt hij eerst om maar helemaal met fluiten te stoppen, maar na een weekje rust gaat hij toch weer met zijn grote hobby verder. Als zijn familie, vrienden en collega's hem hierdoor voor gek verklaren, denkt hij echter wel heel vaak bij zichzelf dat ze helemaal gelijk hebben.