Jeugdleiders zonder verantwoordelijksgevoel

Geschreven door Henk Doppenberg op . Geplaatst in Columns

Enkele weken geleden las ik via de bekende sociale media een boeiend verhaal. Een herkenbaar verhaal over hoe het er in het amateurvoetbal te veelvuldig aan toe gaat. Het verhaal was geschreven door Henk Doppenberg. Via Google was Henk Doppenberg snel gevonden en voor mij als liefhebber van het amateurvoetbal opende zich een speelgoedwinkel. Een speelgoedwinkel in de vorm van een website met o.a. fictieve voetbalverhalen die allemaal op de tegenwoordige tijd geplaatst kunnen worden. Ik besloot er een mailtje aan te wagen om in contact te komen met Henk die, zo bleek op zijn website www. henk-doppenberg.nl, ook een vijftiger bleek te zijn. Al snel kwam er antwoord op mijn vraag of Puurvoetbalonline zijn verhalen mocht publiceren waarbij bronvermelding een vanzelfsprekendheid was. Het antwoord van Henk was positief en vandaar dat ik met regelmaat een verhaal van Henk zal publiceren. Verhalen die allemaal letterlijk uit het 'voetbal' leven zijn gegrepen zoals ook deze met als titel: Jeugdleiders zonder verantwoordelijkheidsgevoel
Henk Doppenbergwww.henk-doppenberg.nl
Als Frank met zijn zoontje en twee teamgenootjes in de auto van de parkeerplaats in Gaanderen rijdt, valt het hem meteen op dat, ondanks dat ze samen naar de auto's zijn gelopen, er van de anderen al niets meer te zien is. Hoewel hij 'samen uit, samen thuis' heel hoog in zijn vaandel heeft staan, besluit hij zich hier echter niet aan te ergeren en rustig naar huis te rijden. Onderweg betrapt hij zich er echter op, dat hij er toch over na blijft denken en dat wordt nog erger als ze bijna bij de eigen vereniging zijn. Dan komen ze namelijk een paar kinderen tegen die in de andere auto's hebben gezeten en daardoor kan het voor zijn gevoel niet anders dat die chauffeurs behoorlijk hard hebben gereden. Dat de mensen dit doen als ze alleen in de auto zitten, is niet verstandig maar kan hem minder schelen. Wel vindt hij het een heel groot probleem, als ze het doen terwijl ze kinderen vervoeren. De ellende is alleen dat hij geen bewijzen heeft en de leiders, een man van midden twintig en een jongen van net achttien, dus niet zomaar kan beschuldigen. 
Wanneer hij een minuut of vijf later in de kantine komt en de twee mannen samen een patatje ziet zitten eten, kan hij het echter toch niet laten om iets over de terugreis te zeggen.
'Ha mannen. Kwam het door de patat dat jullie zo'n haast hadden om uit Gaanderen weg te komen?'
'Hoezo Frank.'
'Nou, we liepen samen naar de parkeerplaats, maar daarna heb ik jullie nergens meer gezien. Ik kwam hier voor bij de weg zelfs al wat kinderen uit het team tegen. Hebben jullie dus een stukje gevlogen of ben ik zo traag?'
'Ik denk het laatste, Frank. Wij hebben namelijk niet harder gereden dan 100.'
'Is dat niet veel te snel dan over die smalle weggetjes? Jullie rijden wel met kinderen van een ander, hoor.'
'Wees maar niet bang, want we kennen echt onze verantwoordelijkheid wel. Of heb je soms klachten over ons rijgedrag gehad?'
'Nee, dat niet.'
'Dan is er toch niets aan de hand?'
'Nog niet, maar een ongeluk zit in een klein hoekje.'

Terwijl Frank zijn zoon een patatje en een glaasje limonade geeft en zelf een kopje koffie neemt, blijft hij wel nadenken over het gedrag van de twee leiders en ook wat hij nu doen moet.  Hoewel hij nog steeds heel goed beseft dan hij dus geen bewijzen heeft, besluit hij er wel met de jeugdvoorzitter over te gaan praten en gelukkig voor hem komt de man net binnen.
'Heb je een momentje Van Teylingen?'
'Zeker. Wat kan ik voor je betekenen?'
Frank stuurt eerst zijn zoontje naar buiten om met wat vriendjes te gaan voetballen en vertelt de voorzitter dan zijn verhaal. Die is gelijk één en al oor, maar reageert een beetje terughoudend.
'Ik begrijp het en vindt dat je heel goed gehandeld hebt. Verder kunnen we er, net zoals je zegt, vrij weinig aan doen. Ten eerste omdat we niet weten hoe hard ze precies hebben gereden en het ze ook niet hebben zien doen en ten tweede ben ik heel erg voorzichtig met kritiek op mijn leiders en trainers.'
'Waarom dat?'
'Omdat we heel moeilijk begeleiding voor de jeugdteams kunnen krijgen en de mensen er tegenwoordig bij de geringste vorm van kritiek zomaar mee kunnen stoppen.'
'Dat zal best zo zijn, maar laat je ze dan zomaar hun gang gaan? Het zou toch een ramp zijn als ze één van de kinderen het ziekenhuis in rijden of nog erger. Ten eerste menselijk gezien, maar juridisch ben je er ook nog niet klaar mee. Zeker als de mensen te weten komen, dat jij wist dat je leiders zo hard reden.'
'Ik hoor nu een gerucht, maar heb geen enkel bewijs.'
'Dat kun je wel proberen te krijgen?'
'Hoe dan?'
'Via de andere ouders.'
'Die zijn er toch nooit?'
'Nee, maar ze kunnen het wel aan hun kinderen vragen.'
'Dat is waar. Ik zal wel eens kijken en ook een keer met beide leiders praten.'
'Hoor ik het van je als je iets weet?'
'Is goed, maar neem me niet kwalijk als ik het vergeet.'
'Ik bel je wel.'
'Niet te snel, hoor.'
'Komt goed.'
Als Frank zijn zoontje heeft geroepen en met het jochie naar de auto loopt om naar huis te gaan, bespeurt hij bij zichzelf toch een ontevreden gevoel. Hij vindt namelijk dat de voorzitter het wel heel gemakkelijk opneemt en daarom besluit hij om zich er zelf maar mee te gaan bemoeien. Als eerste neemt hij zich voor om dinsdag bij de training te gaan kijken. Er zijn namelijk meerdere ouders die hun kinderen halen en brengen en voor dat ene uurtje niet naar huis gaan, dus heeft hij mooi de tijd om een praatje met die mensen te maken en te informeren of zij via hun kinderen iets over het snelle rijden van de leiders hebben gehoord.
Frank gaat dinsdags naar het voetbalveld met de bedoeling om niet te negatief te zijn, want buiten het snelle rijden van hen heeft hij nog nooit iets negatiefs over de beide leiders gehoord. Ze verdienen het nu dus niet, om zonder echt bewijs door hem zwart gemaakt te worden. Als hij bijna bij de club is, krijgt zijn voornemen echter een gigantische knauw. Op het smalle weggetje dat langs het complex heen naar de parkeerplaats loopt, wordt hij namelijk ingehaald door een auto die extreem hard rijdt en hij meent gelijk de jongste van de twee leiders achter het stuur te zien zitten.
Als hij een paar minuten later zijn auto heeft geparkeerd, blijkt dit ook zo te zijn en daarom besluit hij er meteen iets van te zeggen.
'Man. Man. Waar zit je verstand?'
'Hoe bedoel je?'
'Wat denk je dat er was gebeurd, als er net één van de kinderen of een ouder iemand met zijn of haar fiets daar om de bocht heen was gekomen?'
'Er kwam toch niemand aan?'
'Nu niet, maar dat kon jij niet zien en als je wel iets had gezien, had je nooit meer kunnen remmen. Moet er nu echt eerst een ongeluk gebeuren voor je tot bezinning komt en net zo normaal gaat rijden als de meeste andere mensen? Je snapt toch zelf ook wel dat dit niet kan?'
'Frank, je bent een zeur.'
Frank geeft geen antwoord, maar loopt naar het trainingsveld. Daar wordt hij opgewacht door Jacqueline, de moeder van Stan en Ronald.
'Was dat nu net Emiel die daar als een razende met die witte auto in de richting van de parkeerplaats reed?'
'Ja, helaas wel.'
'Is hij niet helemaal goed bij zijn verstand? Hij had geluk dat hij niemand tegenkwam, want dan was er op zeker een flink ongeluk gebeurd. Je moet er toch niet aan denken dat er één van de kinderen had gefietst.'
'Je hebt gelijk en het ergste is, dat hij volgens mij ook zo hard rijdt als de kinderen van het team bij hem in de auto zitten en het zelf de gewoonste zaak van de wereld vindt. Ik verdenk zijn collega Piet er trouwens ook van dat hij veel te hard rijdt.'
'Dat meen je niet.'
'Helaas wel.'
Als Frank de vrouw alles van afgelopen zaterdag heeft verteld, nemen ze direct een besluit.
'Dan moeten we samen maar met de voorzitter gaan praten.'
'Mee eens. Zaterdag had ik het idee dat hij het een beetje gezeur van me vond, maar nu zal hij ons toch serieus moeten nemen.'
'Dat denk ik ook en anders lichten we vanavond alle andere ouders nog in. Komende zaterdag spelen ze thuis, maar voor volgende week zaterdag moet die jongen horen dat hij niet meer met kinderen mag rijden.'
'Er moet in ieder geval met hem gepraat worden, want ik heb natuurlijk nog steeds geen echt bewijs dat hij afgelopen zaterdag veel te hard heeft gereden.'
'Dat is waar, maar daar weet ik wel een oplossing voor. Stan en Ronald zijn morgen jarig en hebben het hele team uitgenodigd. Een mooie kans dus om te vragen wat zij van de chauffeur vinden.'
'Slim van je. Zullen we dan maar wachten tot donderdag om met de voorzitter te gaan praten?'
'Best.'
De kinderen willen de volgende middag eerst niets zeggen, maar moeder Jacqueline weet ze heel handig aan het praten te krijgen en als het eerste kind eerlijk toegeeft dat hij doodsbang is bij zijn leiders in de auto, volgt de rest heel snel. Het gevolg hiervan is dat de beide ouders de volgende avond al bij de voorzitter aan tafel zitten, maar dat gesprek verloopt opnieuw niet erg soepel.
'Ik zal de leiders er wel op aanspreken, maar dat had ik Frank al toegezegd en als ze beloven om het vanaf nu rustiger aan te doen, zijn het probleem wat mij betreft opgelost.'
'Dat zeg je wel heel gemakkelijk, want wat hebben wij aan beloftes? Het gaat erom, wat ze doen als ze alleen met de kinderen zijn en ik heb er weinig vertrouwen in dat ze van de ene op de andere dag ineens heel normaal gaan rijden. Het is toch niet normaal dat de kinderen eigenlijk niet bij hen in de auto durven te zitten?'
'Dan moeten de ouders 's zaterdags maar meegaan.'
'Dat is onzin, want je weet dat die mensen dan allemaal moeten werken.'
'Laten we dan volgende week dinsdag maar met alle ouders en de leiders om tafel gaan zitten, maar de gevolgen zijn voor jullie, horen.'
'Hoe bedoel je?'
'Nou, als de leiders er door dit gezeur mee stoppen, zullen jullie het over moeten nemen en anders trekken we het team terug uit de competitie. Dan kunnen ze dus helemaal niet meer voetballen.'
Frank en Jacqueline kijken elkaar een keer schouderophalend aan en lijken allebei te begrijpen dat ze met deze voorzitter niet veel verder komen. Daarom nemen ze snel afscheid van de man en lopen ze naar de parkeerplaats. Daar spreken ze af om dinsdag rond zeven uur weer bij de club te zijn voor het gesprek. Zover komt het alleen niet, want als Frank 's zaterdagsavonds tegen twaalf uur terugkomt van een wandeling met zijn hond, hoort hij meerdere sirenes. Omdat ze niet ver bij hem uit de buurt lijken te stoppen, besluit hij even te gaan kijken en al gauw ziet hij dat er een auto tegen een boom is gereden. Hij krijgt daardoor direct een onbestemd voorgevoel en dat blijkt meer dan terecht te zijn. Als hij de voorzitter van de voetbalclub tegenkomt, hoort hij namelijk dat de jeugdleider met een veel te hoge snelheid uit de bocht is gevlogen en als hij de ambulance even later met een slakkengangetje weg ziet rijden, weet hij dat de jongen zijn toestand zeer slecht is.
Als hij er opeens aan denkt, dat dit ook had kunnen gebeuren met een auto vol voetballertjes, wordt hij ijskoud en lopen de rillingen over zijn rug. Het is zelfs zo erg met hem, dat hij zich even aan een verkeersbord vast moet houden vanwege de duizelingen die door zijn hoofd trekken. Na een kwartiertje is hij echter weer in staat om naar huis te fietsen en hoopt hij dat de jongen ondanks de erg sombere vooruitzichten toch zal herstellen en alsnog van zijn fouten kan leren.